Alix Arnold

Inleiding bij boekpresentatie Cajo Brendel, 21 november 2008

Ik heb meegewerkt aan de vertaling van sommige teksten die in de Duitse uitgave verzameld zijn. Daarbij is mij opgevallen hoe modern de beschouwingen in deze artikelen zijn, die Cajo Brendel al tientallen jaren geleden heeft geschreven. Modern is niet de manier hoe ze geschreven zijn, niet de taal – maar wel zijn manier de gebeurtenissen te zien en de bewegingen te analyseren. In een tijd waarin de grote meerderheid van de linkse bewegingen en organisaties ervan overtuigd was, dat een partij en een voorhoede nodig zijn om de revolutie te maken, en dat arbeiders zich noodzakelijk in vakbonden moeten organiseren om klassenstrijd te kunnen voeren, ging Cajo op zoek naar de autonomie van de arbeidersklasse. Hij was integendeel overtuigd, dat de revolutie geen partijaangelegenheid is, en dat de bevrijding van de arbeidersklasse alleen haar eigen werk zou kunnen zijn. Voor deze bevrijding is een revolutionair bewustzijn geen voorwaarde; het gaat er dus niet om arbeiders het korrekte bewustzijn aan hun verstand te brengen, zoals vele kameraden geloofden. Integendeel: een revolutionair bewustzijn ontstaat pas als arbeiders in actie en in beweging komen.

Dit was voor Cajo Brendel geen kwestie van ideologie, maar van de reële bewegingen. Daarom ging hij, als hij de mogelijkheid had, naar  plaatsen waar gestaakt werd om met de arbeiders te praten, en dat niet alleen in Nederland. Van dergelijke excursies zijn in het boek enkele berichten te vinden, die Cajo Brendel voor het tijdschrift Onvoltooid Verleden heeft geschreven, bijvoorbeeld hoe hij in de zomer van 1936 naar België liftte, om de stakende mijnwerkers in de landstreek Borinage te ontmoeten:

Ik liep langs de weg en kreeg een lift van een motorfiets. Tot mijn geluk, bleek even later. Heel de Borinage was namenlijk afgezet door de soldaten. Niemand mocht er komen, ook geen Belgen, die er niet wonen. In het begin van de week werd in Belgie een nieuwe wet aangenomen, waarbij aan vreemdelingen de toegang tot de Borinage werd verboden. Wie er toch blijkt te vertoeven wacht gevangenisstraf, evenals degene bij wie men onderdak heeft gevonden. Heel de weg was versperd. Ik ben echter met veel geluk langs de bewaking heengekomen. De motorrijder bij wie ik achterop zat kon echter bewijzen dat hij door de Borinage heen moest en mocht doorrijden. Mij vroeg men niets, omdat men kennelik dacht dat ik bij hem hoorde.
...
Ik ben nu al in vijf verschillende huizen geweest. Men loodst mij hier van huis tot huis. Van alle kanten komen de mijnwerkers die dan in een grote kring zitten op de tegelvloer van de keuken. Wij discussieren over de politieke situatie in Belgie, de vakbonden, de staking en de bedrijfsbezetting.
...
De bolsjewieken en sociaal-democraten hier hebben het parool uitgegeven, dat het werk moet worden hervat. Dat was gisteren, maar het is niet opgevolgd, omdat de bolsjewieken en sociaal-democraten daarbij geen enkele voorwaarde stelden.Vorige week heeft de (trotskistische) krant L’Action Socialiste Révolutionaire opgeroepen tot bedrijfsbezetting. De reformisten wisten te verhinderen dat het ervan kwam. De meerderheid van de mijnwerkers hier is trotskist, maar zij streven, onder druk van de omstandigheden, naar radencommunistische strijdmethoden, zoals bedrijsbezetting en strijdcomités van onderop.


Dit is een voor Cajo Brendel typische opvatting: Belangrijk is niet het bewustzijn, maar de “druk van de omstandigheden”. In de klassenstrijd gaat het er niet om wat de arbeiders van hun eigen optreden verwachten, maar gaat het erom, wat de arbeidersklasse is, en wat zij op grond daarvan gedwongen is te doen. Een voorbeeld hoe snel de eisen en het bewustzijn kunnen veranderen als arbeiders massaal in actie komen, is de arbeidersopstand in Oost Duitsland van juni 1953. Cajo Brendel beschrijft hoe – beginnend met kleine groepen arbeiders – menigten in beweging kwamen en in massa’s veranderden. In dit omwentelingsproces veranderden de eisen razend snel. De leuzen van het ene ogenblik maakten in het volgende ogenblik al weer plaats voor andere leuzen.

Citaat uit Cajo's De Opstand der arbeiders in Oost-Duitsland

De arbeidersopstand in Oostduitsland was een spontane beweging, zonder leiding. Citaat uit dezelfde tekst:

Deze opstand vond plaats in een van de socialistische staten. De beschrijving als spontane en proletarische beweging is dus ook een velle kritiek op deze “socialisme”. Dergelijke opvattingen werden in de jaren 50 maar van weinig mensen verdedigd, en ook in het algemeen was kritiek op partijen en vakbonden toen noch niet erg verbreid. Ook in discussies met arbeiders was het voor Cajo soms moeilijk zijn meningen uit te leggen. In 1947 is hij twee weken in een mijnwerkersdorpje in Zuid-Wales geweest. Hij praatte daar met mijnwerkers over de nationalisatie van de mijnen door de Labourregering. De mijn werd nu niet meer door de gehate onderneming Powell & Duffryn beheerd, maar door de nieuw geschapen National Coal Board. Over deze gesprekken schrijft hij in Onvoltooid Verleden:

De zomer van 1947 was warm. We zaten ’s avonds niet binnenshuis maar op straat op houten stoelen die naast elkaar langs de huizen waren gezet. Wat we dronken zal wel bier zijn geweest. Ik kan me dat niet meer precies herinneren. Des te beter herinner ik me dat, waarover we spraken. Over de nationalisiering ging het in de eerste plaats.
‘Zei het ze dan niks’, vroeg ik die avond, ‘dat Lord Hynly, die voorheen een van de directeuren van Powell & Duffryn was, nu als de voorzitter van de National Coal Board fungeerde?’
‘Waarom zou het?’, zei Jimmy. Hij was even verwondert over mijn kijk op de zaak als ik over de zijne. Een avond lang heb ik me werkelijk ingespannen om hem ervan te overtuigen dat nationalisiering in feite niets veranderde aan de voordien bestaande verhoudingen. Jimmy Griffith beschouwde dat alleen maar als de mening van een ‘foreigner’ die niets wist en dus ook niets begreep en kon begrijpen van de Labour-beweging. Kwalijk nam hij mij dat niet. Hij putte zich meteen uit in het verstrekken van informatie.
Veertien zomeravonden achtereen hebben we daar in de smalle ‘hoofdstraat’ over de positie van de britse arbeidersklasse gepraat, over die van de mijnwerkers in het bijzonder. Vanzelfsprekend ging het een van die avonden ook over de vakbeweging, om precies te zijn over de National Union of Miners. Daaromtrent liepen onze meningen, wat ik wel verwacht had, bijzonder ver uiteen. Voor Jimmy, voor Bob en voor allen, die naar ons gesprek luisterden, was de mijnwerkersbond zoiets als de aangewezen organisatie die in het krijt trad voor hun belangen. Voor mij niet. Ik probeerde uit te leggen dat welke vakbond ook eerder de belangen van de ondernemers dan die van zijn achterban verdedigde. Zoiets hadden ze nog nooit gehoord. ‘En bovendien’, zo riep een van de aanwezigen, ‘in de mijn-industrie zijn er helemaal geen ondernemers meer.’

In deze tijd van het zogenaamd Fordisme waren de vakbonden sterke organisaties, die ook wel successen konden laten zien. Je zou kunnen zeggen dat deze vorm van organisatie een spiegelbeeld was van de organisatie van de productie in de fabrieken. In de fabriek moest je de orders van de baas volgen, eigen opvattingen of ideeën van de arbeiders waren verboden. En in de vakbond gold hetzelfde: de leiding wist wat goed voor je was en besliste wat te doen was. Met de wereldomvattende beweging van 1968 is dit systeem in een crisis geraakt. De opstand tegen het regime in de fabrieken, tegen de terreur van de lopende band, heeft ook op andere maatschappelijke terreinen het hiërarchisch systeem aan het wankelen gebracht. Vandaag zijn vakbonden blijkbaar niet meer aantrekkelijk. Overal hebben zij steeds minder leden.

Waar vandaag nieuwe bewegingen ontstaan, ontwikkelen ze onmiddellijk horizontale organisatievormen. Duidelijk is dit bijvoorbeeld in de bewegingen in Latijns-Amerika. Daar hebben wel op de golf van de bewegingen sommige linkse partijen regeringen overgenomen, en nu vestigen helaas weer veel mensen hun hoop op deze presidenten. Maar in de bewegingen zelf, in de tijd dat de bewegingen sterk waren, bestonden heel andere opvattingen en leuzen. In december van 2001 gingen in Argentinië de mensen de straat op. In deze opstand tegen de economische crisis ontstond de leus “Que se vayan todos” – “Dat ze allemaal mogen verdwijnen!” of "Laten ze allemaal oprotten!" Bedoeld waren daarmee in eerste instantie de politici, maar ook andere leiders, zoals functionarissen van vakbonden. De mensen ontwikkelden spontaan vormen van basisdemocratie. Overal ontstonden bijeenkomsten en vergaderingen waar mensen discussieerden hoe ze wilden leven en hoe een andere maatschappij eruit zou kunnen zien. Plotseling wilden de mensen zelf beslissen. Fabrieken werden bezet, arbeiders organiseerden zelf de productie en de politiek werd op straat gemaakt. Deze tijd is ook in Argentinië weer voorbij. De nieuwe regering is erin geslaagd de bewegingen te kalmeren en weer controle over het land te krijgen (enkele uitzonderingen daargelaten). Maar de ervaringen van autonomie, die duizenden mensen hebben gemaakt, leven voort, en ze zullen bij toekomstige bewegingen zeker weer van belang zijn.

Na de opstand in Argentinië zijn er ook in andere landen in Latijns-Amerika bewegingen ontstaan die door een grote mate van autonomie worden gekenmerkt. In Bolivië heeft de beweging tegen de uitverkoop van de bodemschatten in oktober 2003 de regering ten val gebracht, en in Oaxaca in Mexiko is 2006 uit een staking van leraren een beweging ontstaan die op verschillende gebieden het bestuur van de stad heeft overgenomen.

Toevallig heb ik in dezelfde tijd, waarin ik met de vertaling van de teksten van Cajo Brendel bezig was, een boek gelezen over de bewegingen in Bolivië. Raul Zibechi uit Uruguay is ook altijd op zoek naar de autonomie van bewegingen. In Bolivië was er veel te vinden. In een vergadering van vakbonden en linkse organisaties na de october 2003 kwamen alle aanwezigen tot de conclusie dat deze opstand helemaal geen leiding had, dat de beweging spontaan was, en dat zij (de leiders) door de massa’s overrompeld zijn. Zibechi heeft vooral onderzoek gedaan over de beweging en haar organisatie in El Alto, de stad van armoede en immigratie boven La Paz. Hij beschrijft een demonstratie van de mensen van El Alto naar La Paz: hoe de massa La Paz binnenviel, niet als geordende manifestatie, maar in talloze groepen en colonnen. Zonder leiding, zelf georganiseerd, met steeds radicalere eisen – en niet te controleren. Dit verslag lijkt zeer op het verslag, dat Cajo over de manifestaties in Oost-Berlijn heeft geschreven – 50 jaar geleden.

Dit is één van de redenen waarom ik in het begin heb gezegd dat de teksten van Cajo Brendel “modern” zijn, en waarom ik ze vandaag nog zou aanbevelen. Het is misschien vandaag niet meer belangrijk dat wij alle details van de stakingen kennen, over die Cajo heeft verteld. Maar door de manier waarop hij de bewegingen bekijkt, is het ook vandaag nog een plezier deze berichten uit een verleden tijd te lezen; en wij kunnen er nog steeds iets van leren.

Amsterdam 21 november 2008.


Afmelden | Aanmelden