Sal Santen, links, in Brussel.

Marcel Menting

Sal Santen (1915-1998)
Verslonden door de revolutie


In juni 1960 was de Amsterdamse stenograaf en trotskist Sal Santen voorpaginanieuws in de Nederlandse dagbladen. Samen met de leider van de internationale trotskistische beweging, de Griek Michel Raptis, werd hij verdacht van en een jaar later veroordeeld voor illegale hulp aan het Front de Libération Nationale (FLN), het Algerijnse Bevrijdingsfront.

Een groot aantal journalisten kon hun verbazing en opwinding over dit nieuws nauwelijks bedwingen. Waar de obscure trotskisten normaliter vergaderden in achterafzaaltjes en onder schuilnamen als ‘Reisvereniging Oud-West’, traden zij nu plots voor het voetlicht. Uit de eerste berichten bleek zelfs dat deze revolutionair-socialistische beweging al jaren werd aangestuurd vanuit Amsterdam.

22 jaar later haalde Santen, inmiddels schrijver, wederom de voorpagina’s. Ditmaal omdat hij als hoofdpersoon figureerde in de met een Gouden Kalf bekroonde documentaire Sal Santen rebel van de cineast Rudolf van den Berg. De film toont een oude, rijzige en zachtaardige man die zijn levensverhaal vertelt en ondertussen nerveus toeleeft naar een ontmoeting met zijn vroegere vriend Raptis, die hij dan al twintig jaar niet meer heeft gezien of gesproken. Santen blaast het treffen echter kwaad af op het ogenblik dat hij verneemt dat Raptis voor de camera koeltjes over hem heeft gesproken en zei nooit te hebben begrepen waarom hij de trotskistische beweging had verlaten.

Michel Raptis, gevangen in oktober 1960

De leefwerelden van Raptis en Santen hadden zich in 1967 gescheiden. Na ruim dertig jaar vurig voor de revolutie te hebben geleefd, keerde Santen de trotskistische beweging abrupt de rug toe en was hij schrijver geworden. Santen brak met de trotskistische beweging omdat hij psychisch en lichamelijk was verslonden door het revolutionaire werk, door de verstoorde omgangsvormen binnen extreemlinkse kringen en door een buitengewoon droevige familiegeschiedenis. Zoals hij Raptis naderhand in een brief trachtte te duiden, was de revolutie als een kannibaal voor hem geweest: ‘j’avais compris que je n’étais plus assez “dûr” pour le travail révolutionnaire. Comme a dit le Vieux [Trotski], la Révolution c’est un cannibale, et cette fois mon [temps] était venu pour être englouti.’ Sal Santen heeft twee levens geleid. De eerste als revolutionair, de tweede als schrijver. In dit artikel staat zijn leven als revolutionair centraal.

Politieke vorming
Santen groeide op in een Amsterdams schoenmakersgezin waar de eindjes slechts met moeite aan elkaar konden worden geknoopt. Zijn familie had met het joodse geloof gebroken en de socialistische arbeidersbeweging bood, zoals voor veel Amsterdamse arbeiders van joodse herkomst gold vanaf het einde van de negentiende eeuw, een alternatief geloof en organisatieverband. Als telg uit een rood nest was de keuze voor de sociaaldemocratie voor de jonge Sal Santen vanzelfsprekend. Zo was hij twee jaar lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de jeugdorganisatie van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), en meldde hij zich in 1930 nog op zijn eerste werkdag aan bij een vakbond als aspirant-lid – met een driejarige hbs-diploma op zak was Santen aangenomen als jongste bediende op een im- en exportkantoor. Voor haar jonge leden had de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden in 1929 eigen jeugdgroepen opgericht.

In de vakbondsjeugd vond Santen de politieke leerschool die hem zou begeleiden in zijn eerste schreden naar het revolutionair-socialisme. Via de sociaaleconomische studieclub van de vakbondsjeugd volgde bijvoorbeeld een eerste kennismaking met marxistische lectuur, zoals de geschriften van de Duitse revolutionair-socialiste Rosa Luxemburg. Wezenlijker is echter dat Santen zonder de vakbondsjeugd niet de overstap zou hebben gemaakt naar de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). De oprichting van deze partij volgde een dag nadat de linkse oppositie op 27 maart 1932, middels een verschijningsverbod van haar discussieorgaan, monddood was gemaakt door het SDAP-congres. Santen, inmiddels werkzaam als correspondent op een deurwaarderskantoor, was daartoe nog allerminst bereid. ‘Tranen komen mij in de ogen. Een scheuring heb ik nooit gewild. Met mijn hele wezen ben ik gebonden aan de SDAP, de partij van opa, de partij van de familie, van mij net zo goed. Maar bijna al mijn vrienden uit de vakbondsjeugd gaan mee naar de OSP. (…) Dan, met hangende pootjes, ook Sal Santen, die nog geen achttien jaar oud is, en als aspirant-lid wordt aanvaard.’

Links- en revolutionair-socialistische organisaties verlangden van hun leden  onvoorwaardelijke toewijding en inzet. Santen ondervond dit als lid van het Socialistisch Jeugd Verbond (SJV), de jeugdorganisatie van de OSP. Zijn vrije tijd kwam, behoudens de energie die hij stak in de avondschool van de vakbond, geheel in het teken te staan van demonstreren, colporteren en het leveren van allerlei hand- en spandiensten voor de beweging. De geestdrift binnen de gelederen van het SJV en de OSP bekoelde evenwel snel nadat de vooraanstaande OSP’ers Jacques De Kadt en Sal Tas na het Jordaanoproer in juli 1934 uitweken naar het buitenland. Na jaren van verhitte barricaderetoriek was het voor de SJV-jongeren een grote ontgoocheling dat zij juist op een moment van sociale onrust door de eigen partij-ideologen in woord en daad werden verlaten. Aansluitend liep dan ook de een na de ander weg. In hun zoektocht naar nieuw politiek onderdak kwamen de jongeren voor een tweesprong te staan. Terwijl een grote groep terugkeerde naar de SDAP, zetten Santen en de overgebleven SJV’ers koers naar revolutionair-socialistisch vaarwater. Want anticiperend op een fusie tussen de moederpartijen, respectievelijk de OSP en de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) die op 2 en 3 maart 1935 de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP) oprichtten, koos het SJV voor een samengaan met de Revolutionaire Jeugd Bond (RJB). Het gezamenlijke ledental van het Revolutionair Socialistisch Jeugdverbond (RSJV) kwam niet boven de 500.

Trotskisme en de Sneevlietbeweging
Onzekerheid was een belangrijke karaktereigenschap van Sal Santen. Dit werd nog eens versterkt door het opgroeien in de jaren dertig, een decennium van crisis en toenemende oorlogsdreiging. Het politiek idealisme en activisme bood daarentegen evenwicht. Hieruit kan worden verklaard waarom Santen – kort na zijn toetreding tot de OSP – een leidraad voor het leven zocht en vond in de persoon en de ideeën van de Russische revolutionair Trotski. Trotski voorzag een klein deel van de geradicaliseerde jongeren van zekerheden. Zo verklaarde hij het aan de macht komen van het nationaalsocialisme in Duitsland, ‘de grootste nederlaag in de geschiedenis van de arbeidersbeweging’, uit het falen van de sociaaldemocratie en de Communistische Internationale (Komintern; 1919-1943). Enkel de nog op te richten Vierde Internationale zou nieuwe overwinningen voor de socialistische beweging kunnen voorbereiden. Trotski sprak de verwachting uit dat miljoenen arbeiders zich binnen enkele decennia achter de banier van de trotskistische Internationale zouden scharen. Daarbij voorzag hij een belangrijke rol voor de meest onderdrukte volkslagen en de nieuwe generaties: hij sprak trots over de Internationale van de achttienjarigen. Voor de eveneens achttienjarige Santen voelde de kennismaking met Trotski’s doordachte en consistente analyses en profetieën als een openbaring. Het zou resulteren in een levenslange en onvoorwaardelijke bewondering voor de door Stalin verbannen bolsjewiek.

Reeds enkele maanden na haar oprichting beleefde de RSAP haar eerste scheuring. Het verschil in politieke stijl en achtergrond tussen de beide bloedgroepen bleek onoverkomelijk, waardoor veel oud-OSP’ers geschrokken de partij verlieten. Ook de RSJV viel spoedig uit elkaar. Opnieuw verliep de scheiding langs de lijn van de oude bloedgroepen: de oud-SJV’ers bleven trouw aan de RSJV, de oud-RJB’ers vertrokken naar de Leninistische Jeugd Garde (LJG). Een uitzondering op deze regel was Sal Santen. De splitsingkoorts was grotendeels aan hem voorbijgegaan doordat hij zich begin oktober 1935 had gemeld voor militaire dienst en zijn lichting naar aanleiding van de crisis rond het Rijnland en de Duitse herbewapening pas in de vroege zomer van 1936 mocht afzwaaien. Na zijn terugkeer bleek Santen onverwachts een figuur van betekenis te zijn geworden voor Sneevliet en de zijnen. Als een van de weinige oud-OSP’ers en oud-SJV’ers die de Sneevlietbeweging trouw waren gebleven, vervulde hij een voorbeeldfunctie. Hoewel zijn bewondering voor Henk Sneevliet, een wegbereider van het Indonesische en Chinese communisme, niet verder ging dan diens connectie met Trotski, werd Santen beloond voor zijn trouw met een plek in het hoofdbestuur van de LJG. En namens de LJG werd hij toegevoegd aan het partijbestuur van de RSAP.

Zijn band met Sneevliet zou volkomen veranderen nadat Santen via de colportage een relatie kreeg met Gijsbertha – Bep – Blaauw. Zij was het enige kind van Wilhelmina Hendrika – Mien – Draaijer, die in 1929 de vierde echtgenote van Henk Sneevliet werd. Ondanks enige aanpassingsproblemen ontwikkelde hij als gevolg van de hartelijkheid, de indrukwekkende politieke bevlogenheid en de levenswijsheid die de Sneevliets uitstraalden, alsnog een diepe waardering voor zijn schoonvader. Als trotskist zou Santen desondanks in de komende jaren venijniger tegenover Sneevliet komen te staan dan hem lief was.

Trotskistische oppositie
Een teruglopend ledental, electorale tegenslagen (de RSAP verloor in 1937 haar enige Tweede-Kamerzetel) en financiële misère oefenden in de tweede helft van de jaren dertig nauwelijks invloed uit op de toewijding van de Nederlandse revolutionair-socialisten. Om nieuw elan aan te spreken werd eind 1937 niettemin het hoofdbestuur van de LJG verjongd. Dit bood Sal Santen, eerst als penningmeester en later als secretaris, de kans om samen met Nico Engelschman – eveneens afkomstig uit de vakbondsjeugd en de OSP – een eigen stempel te drukken op zowel de Amsterdamse als de landelijke LJG.

De breuk tussen Trotski en Sneevliet in 1937 zette de verstandhouding tussen de kleine trotskistische stroming binnen de LJG, aangevoerd door Santen en Willy de Boer, en de RSAP-leiding onvermijdelijk op scherp. In een poging om met de LJG een eigen, trotskistische koers te varen kozen Santen en De Boer herhaaldelijk de aanval door zich openlijk te distantiëren van enkele van Sneevliets opvattingen. Uiteindelijk werden Santen en De Boer door de RSAP-leiding in 1939 achtereenvolgens geïsoleerd, onmondig verklaard en uit de LJG- en RSAP-leiding verwijderd. Nadat Sal Santen aansluitend contact legde met de Groep Bolsjewiki-Leninisten (GBL), een zeer kleine Rotterdamse groep trotskisten die reeds in november 1937 door de RSAP was geroyeerd en die zich vervolgens had aangesloten bij de Vierde Internationale, werd de breuk geforceerd. In augustus 1939 werden hij en De Boer door Sneevliet en de zijnen gedwongen om een verklaring van volstrekte trouw te ondertekenen. In plaats van hun handtekening te zetten besloten de jonge trotskisten daarop de RSAP te verlaten en toe te treden tot de GBL.

De politieke breuk tussen Sal Santen en de Sneevlietbeweging werd bekrachtigd met een publieke aanklacht in het RSAP-orgaan De nieuwe fakkel. Sneevliet beschuldigde zijn schoonzoon en diens medestanders daarbij van ‘vazallentrouw jegens’ en ‘schadelijke verering van paus Trotski’. Met een venijnig stuk in De jonge leninist trachtte LJG-voorzitter Joop Flameling de LJG’ers bovendien openheid van zaken te geven over de breuk en hen tegelijk te ontmoedigen om de stappen van de ‘laffe deserteur’ Santen te volgen: ‘Wat hy verwyt aan anderen doet hy zelf: weglopen van het strijdfront en zich veilig stellen aan de schryftafel, waar de intelectueel [sic] wordt uitgehangen en kwasi geleerdheid wordt ten toon gespreid. Wy hebben voor dat soort moed en zuiver geweten niet het minste respect. We moeten de eerste tekenen van werkelyke moed in de strijd van Santen nog zien. Wij vinden het gewetenloos om op deze manier te trachten de L.J.G. en de party te verzwakken.’
Met zijn toetreding tot de GBL belandde Santen in nog radicalere linkse kringen, waar sektarisme, politieke onbeduidendheid, ideologische scherpslijperij en persoonlijke vetes geen uitzondering maar regel waren.

Illegaliteit
De Duitse bezetting noodzaakte de revolutionair-socialisten om de strijd voor het socialisme in de illegaliteit voort te zetten. Een partij als de RSAP had daarvoor al vanaf 1938 voorbereidingen getroffen en zij zou in een sterk afgeslankte vorm doorgaan onder de naam Marx-Lenin-Luxemburgfront (MLL-Front). De noodzaak van de gekozen illegaliteit bleek wel toen de Duitse politie op 19 mei 1940 een inval deed in het huis van Henk Sneevliet. Santens schoonouders waren daarom vanaf de eerste dag van de Duitse bezetting ondergedoken. De GBL koos eveneens voor een voortbestaan in de illegaliteit en ook deze omschakeling ging gepaard met een naamsverandering: de trotskisten noemden hun organisatie de Bond van Communisten (BvC).
Sal Santen gaf leiding aan de Amsterdamse BvC-groep. Geteisterd door passiviteit en arrestaties verdween de verzetsgroep al in 1941 van het politieke toneel. Vooral de bekendheid van de Rotterdamse leiding stond een goed functioneren in de weg. Reeds spoedig werden deze BvC’ers door de Duitse politie opgepakt via het redactieadres dat op de titelpagina van het vooroorlogse GBL-periodiek De enige weg. Orgaan der Groep Bolsjewiki-leninisten stond vermeld. Toen Trotski op 20 augustus 1940 werd vermoord, een gebeurtenis die uiteraard een zware klap was voor de trotskisten, beschikte de Amsterdamse BvC-groep tot grote ontsteltenis van Santen zelfs niet over de middelen om een herdenkingsartikel te publiceren. Hij stelde daarom een samenwerking voor met de groep van de Amsterdamse revolutionair-socialist Barend Luteraan, die wel in het bezit was van een eigen blad. Luteraan was echter, zoals zijn biograaf Dennis Bos schrijft, naast een ‘vurige vlambewaarder van de revolutie’ bovenal een notoire dwarsligger en sektariër. De samenwerking leidde dan ook al snel tot grote ergernissen en zou van korte duur zijn.

De teleurstellende passiviteit van de Bond van Communisten stak schril af tegen het activisme van het MLL-Front. Zo speelde deze groep een rol bij de propaganda en agitatie voor de Februaristaking. Vanwege dit activisme wilde Santen wederom deel uitmaken van de Sneevlietbeweging. Na enige dagen beraad werd hij echter wegens ‘onbetrouwbaarheid’ als lid geweigerd, een mededeling die hem heeft behoed voor een onzeker lot. Henk Sneevliet, diens vrouw en vrijwel de gehele leiding van het MLL-Front werden in maart 1942 opgepakt door de Sicherheitsdienst, de Duitse inlichtingen- en spionageorganisatie. Een maand later werd de voormalige RSAP-leider samen met zeven partijgenoten ter dood veroordeeld en gefusilleerd. De overige elf gevangenen zijn naar concentratiekampen gestuurd. Slechts vijf van hen zouden de oorlog overleven, waaronder Mien Sneevliet die terugkeerde uit het concentratiekamp Ravensbrück. Santen zou pas in 1943 zijn illegale werkzaamheden voortzetten.

Jodenvervolging
De nationaal-socialistische autoriteiten creëerden vanaf het najaar van 1940 met een reeks van verordeningen een net dat zich steeds strakker sloot rond de joodse gemeenschap. Het doel was om deze groep achtereenvolgens te registreren, te segregeren uit de maatschappij, te beroven van hun bezittingen en tot slot te deporteren naar vernietigingskampen. Voor slechts enkelen bleek er een uitweg. Een van hen was Sal Santen. Vanwege zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw gold hij voor het Duitse bestuur als ‘gemengd gehuwd’. Voor hen – in Nederland ging het om ruim 5000 mensen – zou de deportatie tot nader order worden uitgesteld. Voor zijn familie heeft Santen vergeefse inspanningen gedaan om hen te redden. Zo bemachtigde hij voor zijn vader een functie bij de Joodse Raad nadat deze een oproep had ontvangen voor een joods werkverschaffingkamp. De Joodse Raad was een in 1941 door de bezetter gevormd orgaan, bestaande uit twintig joodse notabelen, die verantwoordelijk werd gehouden voor de Nederlandse joodse gemeenschap. Omdat zij in de loop van de oorlog steeds meer taken zou krijgen en daardoor de hoeveelheid afdelingen en personeel gestaag zag toenemen, kon de Joodse Raad lange tijd fungeren als schuilplaats voor hen die aan deportatie wilden ontkomen. Tot Santens grote ontsteltenis weigerde zijn vader de functie bij de Joodse Raad. Barend Santen is, na een kort verblijf in een werkkamp en in Westerbork, op 23 oktober 1942 gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau en aldaar vermoord. Sal Santen heeft zijn moeder evenmin kunnen behoeden voor het noodlot. Machteloos keek hij toe toen een politieman haar in Santens eigen huis uit haar bed lichtte. Sientje Santen-Menko is op 25 januari 1943 naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd en aldaar vermoord. Aanvankelijk leek Santen meer succes te hebben bij zijn broer Maurits. Die was via de Joodse Raad werkzaam voor het Apeldoornse Bos, een joods gesticht in Apeldoorn, maar besloot te vluchten toen de bewoners van deze instelling werden gedeporteerd. Hij klopte vervolgens in Amsterdam bij Sal Santen aan, die hem enige dagen onderdak bood en daarna aan een onderduikadres hielp. Onderweg naar het onderduikadres in de Noordoostpolder werd Maurits evenwel alsnog gearresteerd en vervolgens als strafgeval doorgestuurd naar Westerbork. Op vier mei 1943 is Maurits Santen vandaar naar het vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd, waar hij is vermoord. Sal Santen kwam in deze periode onder psychiatrische behandeling te staan.

De laatste oorlogsjaren stonden voor Sal Santen en andere gemengd gehuwden vooral in het teken van overleven. Met de voor hen verplichte joodse ster op de kleding trokken de gemengd gehuwden bijvoorbeeld gevaarlijk veel aandacht in de hoofdstad, waar zich nu vrijwel geen joden meer bevonden. Daarnaast waren zij verdreven uit het economische leven en ondervonden grote moeite om zichzelf en hun naasten te onderhouden. Santen kon nog korte tijd de kleine schoenmakerij van zijn vader runnen, tot ook deze joodse zaak onverbiddelijk door de bezetter werd geliquideerd. Naderhand werkte hij achtereenvolgens als verkoper van briketten en als schoenmaker in de schoenmakerij van de Joodse Raad. Op 29 september 1943 werd deze afdeling opgeheven. Van begin januari tot eind september 1944, werden de Amsterdamse gemengd gehuwden tewerkgesteld aan respectievelijk het vliegveld Schiphol, aan de kustverdediging in de kop van Noord-Holland en aan het Bosplan in Amsterdam-Zuid. Hier volgde voor hen, naast het gevaar van vliegtuigbeschietingen en uitputting door fysiek zware arbeid, een confrontatie met de alomtegenwoordige dreiging om nog kort voor het einde van de oorlog te worden gedeporteerd.

Comité van Revolutionaire Marxisten
In januari 1943 hervatte Sal Santen zijn illegale werkzaamheden en werd hij opgenomen in de leiding van het Comité van Revolutionaire Marxisten. Het CRM kwam voort uit de resten van het MLL-Front, dat na de arrestatie van zijn leiding was opgehouden te bestaan. In de zomer van 1942 wierpen twee groepen zich op als rechtmatig erfgenaam van het MLL-Front. De eerste groep werd later bekend onder de naam Communistenbond Spartacus en zij zou zich wat betreft haar politieke oriëntatie in uitgesproken radencommunistische richting ontwikkelen. De tweede groep, het CRM, bestond hoofdzakelijk uit jongeren die zich onvoorwaardelijk uitspraken voor de verdediging van de Sovjet-Unie. Op initiatief van Santen zou het CRM zich gedurende de bezetting steeds meer oriënteren op het trotskisme en de Vierde Internationale. Beide groepen hebben – vooral als gevolg van het wegvallen van roerganger Sneevliet en diens NAS-aanhang – nooit de omvang en het activisme van het MLL-Front benaderd.

Het CRM had vijftig tot vijfenzeventig leden, voor het merendeel geconcentreerd in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. De leden waren georganiseerd in cellen van vijf man. Via celleiders stonden zij in contact met de plaatselijke en landelijke leiding. Naast de oud-Spanjestrijders Harry Combrink en Piet van ’t Hart – beter bekend onder zijn schuilnaam Max Perthus – bestond het Centraal Comité van het CRM grotendeels uit personen die ook in de eerste jaren na de oorlog een rol zouden gaan spelen in de Nederlandse trotskistische beweging: Herman Drenth, Sal Santen en Wout Tieleman. Santen was reeds in mei 1942 door Combrink benaderd met de vraag of de initiatiefnemers van het CRM ook op hem konden rekenen. Toen hij daarop verklaarde dat zijn psychiaters hem op dat moment nog niet toestonden om in de illegaliteit actief te zijn, zou hem lafheid en ‘kleinburgerlijk gedoe’ zijn verweten. Volgens Santen zouden zijn medestrijders zelfs na zijn toetreding onverschillig hebben gereageerd op de persoonlijke tragedie die hij gedurende de oorlogsjaren beleefde. Voor Santen was de deelname aan verzetswerk evenwel te belangrijk om zich hierdoor te laten afschrikken.

Omdat de groep het vormen van een krachtig kader voor een toekomstige revolutionaire partij als haar voornaamste taak zag, bestond het illegale werk van het CRM hoofdzakelijk uit het voeren van revolutionaire propaganda. Haar belangrijkste publicatie was het gestencilde blad De Rode October, dat aanvankelijk maandelijks en vanaf september 1944 tweewekelijks verscheen in een oplage van ongeveer 2500 exemplaren. Met Van ’t Hart was Santen verantwoordelijk voor het schrijven van het gros van de artikelen. Deze artikelen maken duidelijk waarom de historicus Wim Bot zijn studie over het CRM de titel ‘generaals zonder troepen’ heeft gegeven. Want hoewel – en tegelijkertijd omdat – de trotskisten geïsoleerd en zonder aanhang van enige omvang waren, blonken zij uit in de (re)productie van theoretische teksten die het denkvermogen van de gemiddelde industriële arbeider ruimschoots overstegen.

Naast revolutionaire propaganda bood het CRM ook zo nu en dan hulp aan onderduikers. Vooral via de contacten die het CRM onderhield met andere verzetsorganisaties werden mensen aan onderduikadressen, voedselbonnen en valse persoonsbewijzen geholpen. Ondanks zijn eigen problemen nam Santen tweemaal een onderduiker in huis. De herinnering hieraan zou hem na de oorlog pijnigen, voor zijn eigen familie had hij zich tenslotte tevergeefs ingespannen. Nadat hij vanaf september 1944 werkloos was, kon Santen zelf ook rekenen op een kleine uitkering vanuit de illegaliteit. Het was ternauwernood voldoende om de hongerwinter te overleven.

Dienaar van de Vierde Internationale
Direct na de bevrijding zocht het CRM contact met de Vierde Internationale en de groep werd erkend als haar sectie in Nederland. Het belangrijkste lichaam van de Vierde Internationale was het Internationaal Executief Comité (IEC), waarin vertegenwoordigers van een groot aantal nationale secties vergaderden. Omdat het IEC doorgaans slechts eenmaal per jaar samenkwam, berustte de meeste invloed in de praktijk bij de acht à tien leden van het Internationaal Secretariaat (IS), en dan in het bijzonder bij haar secretaris en de leden van het Dagelijks Secretariaat – gevestigd in Parijs. Dit contact vormde voor Sal Santen het begin van een periode waarin hij een veeleisende baan naast zijn alledaagse werk had. Behalve zijn plaats in het Dagelijks Secretariaat van de Nederlandse sectie en het redacteurschap van meerdere revolutionair-socialistische tijdschriften zou zijn tijd meer en meer opgeëist worden door een uitgebreide correspondentie met trotskisten wereldwijd en het bijwonen van vergaderingen van de Vierde Internationale. Alsof het een heilige plicht was wierp hij zich op deze politieke activiteiten. Dikwijls ging dit ten koste van zijn gezin, ten slotte ook van hemzelf. Maar voor Santen was er na het leed van de oorlog geen weg terug. In het nationaalsocialisme had hij de meest ontaarde vorm van het kapitalisme herkend en zijn strijd voor de Vierde Internationale kwam in het teken te staan van vergelding.

Op 23 en 24 december 1945 vond het oprichtingscongres plaats van de Revolutionair Communistische Partij. Uit de transformatie van het CRM in een legitieme politieke partij sprak de verwachting van de trotskisten dat zij nu, na jaren van ondergrondse kadervorming, de voorhoede van de arbeidersklasse konden vormen. Op het congres, met 88 aanwezigen, werd Sal Santen benoemd tot politiek secretaris in het Dagelijks Secretariaat van de RCP en tot redacteur van het partijperiodiek, dat na een naamsverandering De Tribune ging heten. Na haar oprichting beschikte de RCP over negen actieve afdelingen, telde zij tussen de 150 en 200 leden en De Tribune had een oplage van ruim 3500 exemplaren. Zowel onder zijn eigen naam als onder zijn schuilnaam Nol Bos schreef Santen tot 1947 gemiddeld tweewekelijks artikelen in De Tribune.
De invloed van de Vierde Internationale op de Nederlandse sectie was groot. In ruil voor financiële steun bracht de RCP regelmatig verslag uit van de activiteiten en problemen van de sectie en zij verzond eigen materiaal ter beoordeling aan het IS en andere secties. Vanuit het IS was de Belg Ernest Mandel verantwoordelijk voor het toezicht op de RCP. Hij onderhield daartoe – met name in de eerste jaren na de oorlog – een uitgebreide correspondentie met Sal Santen. Mandel ontfermde zich ook over Santen toen deze op 3-5 maart 1946 in Parijs de eerste naoorlogse IEC-vergadering van de Vierde Internationale bijwoonde. Als schoonzoon van Sneevliet genoot Santen reeds bij zijn eerste kennismaking met buitenlandse trotskisten enige prestige. Zo werd hij meteen geïntroduceerd bij de Griekse secretaris van de Internationale, Michel Raptis – ook bekend onder zijn schuilnamen Gabe, Gabriel en Pablo – en andere leidende trotskisten zoals de Fransman Pierre Frank. Tijdens deze vergadering zag Santen hoe het IEC een resolutie aannam waarin de trotskisten concludeerden dat het revolutionair potentieel in West-Europa groot was. Hier zou enkel de Vierde Internationale van kunnen profiteren aangezien zij als enige organisatie over een ‘juist’ revolutionair program beschikte.

Vanuit dit oogpunt wilde de RCP in Nederland zo snel mogelijk de arbeiders losweken van de Partij van de Arbeid (PvdA) en de CPN, en zo de leiding over de arbeidersklasse verkrijgen. Deze opzet moest gestalte krijgen via de zogeheten tactiek van het arbeiderseenheidsfront. De trotskisten kozen daarbij voor samenwerking met de PvdA en de CPN bij vakbondswerk en verkiezingen, opdat de arbeiders dan met eigen ogen konden zien hoe ‘opportunistisch’ deze partijen waren. Onvermijdelijk zouden zij nadien, bezield door een herleefd klassenbewustzijn, de weg naar de RCP vinden. In theorie. Want de theoretische beschouwingen van de trotskisten strookten zoals vaker niet met de realiteit. Zowel de sociaaldemocraten als de stalinisten wezen elke vorm van samenwerking resoluut van de hand en ook binnen de Eenheidsvakcentrale (EVC), de naoorlogse strijdbare vakbond waarbinnen CPN-ers de voornaamste posities verwierven, werden de RCP’ers als meest uitgesproken criticasters van de CPN-lijn bestreden. De RCP besloot daarom zelfstandig deel te nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen van 7 juli 1948, en wel in de kiesdistricten Amsterdam en Rotterdam. De verkiezingsdeelname zou ‘ongehoorde propaganda-mogelijkheden’ bieden, die in hoofdzaak aangewend moesten worden om invloed te krijgen op de CPN-aanhang.

In het kiesdistrict Amsterdam was Sal Santen de lijstaanvoerder. Reeds in september 1946 had hij zijn betrekking als documentalist bij het socialistische dagblad Het Parool opgezegd om volledig in dienst te treden van de revolutionaire partij. Gewapend met handkar, megafoon en leuzen als ‘Voor Indonesië los van Holland nu!’ en ‘Doorbreekt de loonstop!’ trok Santen avond na avond met zijn medestrijders door de straten van Amsterdam. De verkiezingen voor de Tweede Kamer brachten met slechts 2224 stemmen echter niet de gewenste doorbraak voor de RCP. Integendeel, de hooggestemde verwachtingen die de Nederlandse trotskisten na de bevrijding koesterden maakten plaats voor een opeenvolging van teleurstellingen. Zo kwam de partij in grote financiële moeilijkheden. Zij kon haar vrijgestelden niet langer onderhouden en De Tribune ging tweewekelijks verschijnen in plaats van wekelijks. Na de verkiezingen moest Santen, na maanden geen salaris te hebben ontvangen, daarom noodgedwongen een betrekking als documentalist bij een bank accepteren. Verder nam de RCP in deze periode afscheid van een groot aantal partijleden die teleurgesteld de partij verlieten omdat de verwachte toestroom van arbeiders uitbleef of omdat zij zich niet konden onderwerpen aan de partijdiscipline van een revolutionaire partij. Om deze redenen bedankte bijvoorbeeld organisatiesecretaris Ernst Mulder (ex-CPN) voor het lidmaatschap en werd EVC’er C. Molleman uit de partij gezet. Molleman was ruim een half jaar daarvoor nog door Santen omschreven als ‘een belangrijke aanwinst’, ‘van onschatbare waarde, nu een nieuwe stakingsgolf over Nederland rolt’.

Na het verkiezingsdebacle klonken er binnen de RCP stemmen op voor koerswijziging. Waar de stagnatie van de partij in 1947 nog louter werd toegeschreven aan de overbelasting van de leiding en de ongeschiktheid van veel partijleden om ‘de taken ener partijgenoot te vervullen’, werd er tijdens het partijcongres van 1949 serieus gediscussieerd over ‘intrede’ in de PvdA als uitweg uit het isolement. De intredepolitiek is een trotskistische strategie uit de jaren dertig. Destijds kreeg de Franse sectie van Trotski het bevel om kortstondig in de socialistische massapartij te treden en ofwel de macht binnen deze partij te verwerven, dan wel deze organisatie te verlaten met een massale aanhang. Deze overmoedige gok waagde de RCP in 1949 niet. Wel besloten de Nederlandse trotskisten om de ontwikkelingen in de PvdA nauwlettend te observeren en meer aandacht te besteden aan het vakbondswerk binnen het NVV. Hiermee kwam er evenwel geen einde aan het isolement en de financiële problemen van de partij.

Forens van de wereldrevolutie
Trotski’s voorspelling uit 1939 dat miljoenen arbeiders zich binnen enkele decennia achter de banier van de Vierde Internationale zouden scharen, zadelde zijn volgelingen op met irreële verwachtingen ten aanzien van de nabije toekomst. Een direct gevolg hiervan was dat, naargelang de successen langer uitbleven, de beweging zich vertwijfeld vastklampte aan mogelijke revolutionaire perspectieven. Dit proces culmineerde in de aanloop naar het derde wereldcongres van de Vierde Internationale in augustus 1951. Na de breuk tussen Stalin en de Joegoslavische communistische leider Tito in juni 1948, de overwinning van de Chinese revolutie in oktober 1949 en de uitbraak van de Koreaanse oorlog (1950-1953) verkeerden de trotskisten in grote extase. Onder aanvoering van secretaris Michel Raptis was een congresmeerderheid er namelijk van overtuigd dat de neergang van het stalinisme zich definitief had ingezet en dat de mensheid aan de vooravond stond van de Derde Wereldoorlog. Ter voorbereiding van deze oorlog, die vanuit trotskistisch oogpunt de kiemen voor een revolutie in zich moest dragen, werd het besluit genomen om een mondiale intredepolitiek te voeren. Deze radicale breuk met de naoorlogse tactiek – die juist was gericht op de opbouw van eigen massaorganisaties – ontlokte felle oppositie binnen de Vierde Internationale. Na jaren van richtingenstrijd kwam het in 1954 tot een grote scheuring. De Noord-Amerikaanse secties en een meerderheid binnen de Britse en Franse secties verlieten de moederschoot van de Vierde Internationale en richtten een gelijknamige tegenstrever op. Met het oog op de aanstaande wereldoorlog kreeg Sal Santen in 1951 van het IS de opdracht om in Latijns-Amerika een bureau ter coördinatie van de trotskistische beweging op dat continent te organiseren en tevens de verhuizing van het IS naar Latijns-Amerika voor te bereiden. Met de oprichting van het bureau wilde Michel Raptis in hoofdzaak voorkomen dat zijn aanhang op dit continent zich gedurende de richtingenstrijd aan de kant van de oppositie in de Vierde Internationale zou plaatsen.

Tegen de wil van zijn vrouw in, die haar man logischerwijs niet voor tenminste een jaar wilde kwijtraken en die zich zorgen maakte over de opvoeding van hun drie jonge kinderen, accepteerde Santen de missie. Een kans om te leven als beroepsrevolutionair kon hij eenvoudigweg niet laten lopen. Ofschoon het besluit tot Santens vertrek reeds in oktober 1951 was genomen, duurde het nog tot 8 november 1952 voordat hij per boot naar Montevideo in Uruguay vertrok. In de tussentijd werd Sal Santen opgenomen in het IS, nam hij ontslag als redactiestenograaf bij Het Vrije Volk en verzamelde hij referentiebrieven die zijn verblijf in Latijns-Amerika moesten rechtvaardigen.

Na ruim een jaar keerde Santen zonder toestemming van het IS terug naar Nederland. Hij was erin geslaagd om in Chili een Latijns-Amerikaans Bureau op te richten en zijn reis had hem daarnaast naar Brazilië, Uruguay, Argentinië, en Bolivia gebracht. Toch overheerste bij terugkeer een gevoel van ontgoocheling. Valse beloftes en geldgebrek hadden Santen tijdens zijn missie nagenoeg tot wanhoop gedreven. Zijn Latijns-Amerikaanse contactpersonen lieten hem bijvoorbeeld grotendeels aan zijn lot over en weigerden te luisteren naar de politieke inzichten van de Europese buitenstaander. De verwachte emigratie van de familie Santen liep daarenboven stuk en zijn gezin ontving slechts een deel van het door het IS toegezegde geld. Dit alles leidde niet enkel tot spanningen binnen de beweging, maar ook binnen Santens huwelijk. Toen Bep in het najaar van 1953 ook nog met wondkoorts in een Amsterdams ziekenhuis werd opgenomen, besloot Santen, gedreven door schuldgevoel, eenzaamheid en ontgoocheling, om overhaast huiswaarts te keren.

De merkwaardige wijze waarop zijn Zuid-Amerikaanse geloofsgenoten Sal Santen behandelden, vraagt om een verklaring. Waarschijnlijk is Santen tijdens zijn missie het slachtoffer geworden van de persoonlijke ambities van één van de leidende Latijns-Amerikaanse trotskisten. De ‘Pabloïtische’ trotskisten stonden onder leiding van de Argentijn Homero Cristali, die beter bekend is onder zijn schuilnaam Juan Posadas. Cristali was een enigszins megalomane figuur met eigenzinnige inzichten en ambities. De ontwikkeling van eigen inzichten was de trotskistische secties in Latijns-Amerika niet vreemd. In tegenstelling tot de meeste Europese secties konden zij hun activiteiten namelijk met betrekkelijk weinig bemoeienis of hulp van de Vierde Internationale verrichten. De opdracht die Santen van Raptis meekreeg om een Latijns-Amerikaans Bureau op te richten wijst evenwel op een poging van het IS om de trotskisten aldaar onder strakkere leiding te brengen. Ter bescherming van zijn eigen machtspositie frustreerde Cristali derhalve alle pogingen van Santen om zijn opdracht ten uitvoer te brengen. En toen deze met belastende verhalen terugkeerde naar Europa, klaagde Cristali dat Santen met zijn plotselinge vertrek de proletarische discipline had geschonden. Het IS bleef in deze kwestie ogenschijnlijk achter Sal Santen staan: ‘Le SI garde absolutement sa confiance totale à toi, et ne voit en ce qui le concerne aucune raison de changer d’avis sur la très grande utilité de ton installation en AL [Amérique Latin]’. In de realiteit oefende het IS echter zware druk uit op Santen, zodat deze uiteindelijk diep door het stof ging: ‘Er staan hogere belangen op het spel. We moeten voorkomen dat Posadas zich aansluit bij de scheurmakers, anders kunnen wij de Internationale begraven Sal, en dus schrijf je een brief waarin je je spijt betuigt en erkent dat je onjuist hebt gehandeld, misschien wel als een pequeño burgués [kleine bourgeois], want de beweging gaat boven alles, ook als je vrouw ernstig ziek is en je je bovendien geen raad meer weet omdat ze je hebben laten stikken in de moeilijkste omstandigheden.’

Valsemunters
In 1958 verhuisde het Dagelijks Secretariaat van het IS van Parijs naar Amsterdam. Michel Raptis nam met zijn vrouw intrek in de woning van Maurice Ferares op de Nieuwe Prinsengracht. De verhuizing volgde naar aanleiding van de geboorte van de gaullistische Franse Vijfde Republiek, die de perspectieven voor revolutionair werk in Frankrijk verkleinde. Voor Sal Santen, die in de zomer van 1957 was verhuisd naar het Berlagehof 36 te Amsterdam, stapelde het werk zich nu op. Hij nam zitting in het Dagelijks Secretariaat, was redacteur van een drietal tijdschriften – De Internationale, Fourth International en The Internationalist – , en raakte bovendien verstrikt in een groots en meeslepend privé-project van Raptis.

Binnen de leiding van de Vierde Internationale was aan het eind van de jaren vijftig een meerderheid tegenover een minderheid komen te staan. De minderheid, gevormd door Raptis en Santen, was van mening dat de revolutionaire mogelijkheden in West-Europa voor langere tijd waren geweken en dat de beweging haar isolement enkel kon doorbreken door zich te richten op de koloniale revolutie. Pierre Frank, Ernest Mandel en de Italiaan Livio Maitan verzetten zich binnen het IS heftig tegen deze opvatting. Daarop besloot Raptis om zelfstandig hulp te bieden aan koloniale bevrijdingsbewegingen.
Raptis’ eerste project omvatte het vervaardigen van wapens en waarde- en identiteitspapieren voor de FLN, het Algerijnse Bevrijdingsfront, dat in de periode 1954-1962 een bloedige vrijheidsstrijd tegen het Franse koloniale bestuur voerde. Santen aarzelde geen moment toen Raptis hem om hulp vroeg. In Amsterdam strikten ze een aantal medewerkers, waaronder de oud-OSP’er en chemigraaf Ab Oeldrich die goed bevriend was geweest met Santens broer Maurits, en in het Duitse Osnabrück vonden ze een drukkerij. Hier beoogden zij grote hoeveelheden Franse bankbiljetten – om de Franse economie te ontwrichten – en legitimatiebewijzen te fabriceren. Daarbij kwam vooral de ervaring die Oeldrich gedurende de Tweede Wereldoorlog had opgedaan met het vervalsen van persoonsbewijzen en bonkaarten goed van pas. Daarnaast werd er in Marokko een wapenfabriek opgezet, waar mortieren, granaten en mitrailleurs werden geproduceerd. Ook hierin speelde Oeldrich een sleutelrol. Hij gaf opdracht aan ontwerpers voor het tekenen van wapenonderdelen en exporteerde machines naar het Arabische land die konden worden gebruikt voor de wapenassemblage. Ondanks de trotskistische ervaring met het werken in de illegaliteit – conspiratief gedrag was hun tweede natuur – kreeg de BVD in 1959 lucht van de operatie. Enkele dagen voordat de bankbiljetten, voor een totaal aan vijf miljard Franse francs, gereed waren deed de politie een inval in de drukkerij in Osnabrück. Daar trof men ‘de modernste naoorlogse valsemunterij van West-Europa aan’. Sal Santen was ervan overtuigd dat de louche drukker Joop Zwart, die zonder toestemming van Raptis en Santen bij het project betrokken was geraakt, het project had verraden. Tijdens de rechtszaak bleek echter dat een zetter gewetenswroeging had gekregen en – al dan niet op advies van Zwart – naar de politie was gestapt. Deze greep op 10 juni 1960 in en arresteerde alle betrokkenen.

Van het omslag ¡Adiós Compañeros!

Tegen de wil van zijn vrouw in, die haar man logischerwijs niet voor tenminste een jaar wilde kwijtraken en die zich zorgen maakte over de opvoeding van hun drie jonge kinderen, accepteerde Santen de missie. Een kans om te leven als beroepsrevolutionair kon hij eenvoudigweg niet laten lopen. Ofschoon het besluit tot Santens vertrek reeds in oktober 1951 was genomen, duurde het nog tot 8 november 1952 voordat hij per boot naar Montevideo in Uruguay vertrok. In de tussentijd werd Sal Santen opgenomen in het IS, nam hij ontslag als redactiestenograaf bij Het Vrije Volk en verzamelde hij referentiebrieven die zijn verblijf in Latijns-Amerika moesten rechtvaardigen.

Na ruim een jaar keerde Santen zonder toestemming van het IS terug naar Nederland. Hij was erin geslaagd om in Chili een Latijns-Amerikaans Bureau op te richten en zijn reis had hem daarnaast naar Brazilië, Uruguay, Argentinië, en Bolivia gebracht. Toch overheerste bij terugkeer een gevoel van ontgoocheling. Valse beloftes en geldgebrek hadden Santen tijdens zijn missie nagenoeg tot wanhoop gedreven. Zijn Latijns-Amerikaanse contactpersonen lieten hem bijvoorbeeld grotendeels aan zijn lot over en weigerden te luisteren naar de politieke inzichten van de Europese buitenstaander. De verwachte emigratie van de familie Santen liep daarenboven stuk en zijn gezin ontving slechts een deel van het door het IS toegezegde geld. Dit alles leidde niet enkel tot spanningen binnen de beweging, maar ook binnen Santens huwelijk. Toen Bep in het najaar van 1953 ook nog met wondkoorts in een Amsterdams ziekenhuis werd opgenomen, besloot Santen, gedreven door schuldgevoel, eenzaamheid en ontgoocheling, om overhaast huiswaarts te keren.

De merkwaardige wijze waarop zijn Zuid-Amerikaanse geloofsgenoten Sal Santen behandelden, vraagt om een verklaring. Waarschijnlijk is Santen tijdens zijn missie het slachtoffer geworden van de persoonlijke ambities van één van de leidende Latijns-Amerikaanse trotskisten. De ‘Pabloïtische’ trotskisten stonden onder leiding van de Argentijn Homero Cristali, die beter bekend is onder zijn schuilnaam Juan Posadas. Cristali was een enigszins megalomane figuur met eigenzinnige inzichten en ambities. De ontwikkeling van eigen inzichten was de trotskistische secties in Latijns-Amerika niet vreemd. In tegenstelling tot de meeste Europese secties konden zij hun activiteiten namelijk met betrekkelijk weinig bemoeienis of hulp van de Vierde Internationale verrichten. De opdracht die Santen van Raptis meekreeg om een Latijns-Amerikaans Bureau op te richten wijst evenwel op een poging van het IS om de trotskisten aldaar onder strakkere leiding te brengen. Ter bescherming van zijn eigen machtspositie frustreerde Cristali derhalve alle pogingen van Santen om zijn opdracht ten uitvoer te brengen. En toen deze met belastende verhalen terugkeerde naar Europa, klaagde Cristali dat Santen met zijn plotselinge vertrek de proletarische discipline had geschonden. Het IS bleef in deze kwestie ogenschijnlijk achter Sal Santen staan: ‘Le SI garde absolutement sa confiance totale à toi, et ne voit en ce qui le concerne aucune raison de changer d’avis sur la très grande utilité de ton installation en AL [Amérique Latin]’. In de realiteit oefende het IS echter zware druk uit op Santen, zodat deze uiteindelijk diep door het stof ging: ‘Er staan hogere belangen op het spel. We moeten voorkomen dat Posadas zich aansluit bij de scheurmakers, anders kunnen wij de Internationale begraven Sal, en dus schrijf je een brief waarin je je spijt betuigt en erkent dat je onjuist hebt gehandeld, misschien wel als een pequeño burgués [kleine bourgeois], want de beweging gaat boven alles, ook als je vrouw ernstig ziek is en je je bovendien geen raad meer weet omdat ze je hebben laten stikken in de moeilijkste omstandigheden.’

Valsemunters
In 1958 verhuisde het Dagelijks Secretariaat van het IS van Parijs naar Amsterdam. Michel Raptis nam met zijn vrouw intrek in de woning van Maurice Ferares op de Nieuwe Prinsengracht. De verhuizing volgde naar aanleiding van de geboorte van de gaullistische Franse Vijfde Republiek, die de perspectieven voor revolutionair werk in Frankrijk verkleinde. Voor Sal Santen, die in de zomer van 1957 was verhuisd naar het Berlagehof 36 te Amsterdam, stapelde het werk zich nu op. Hij nam zitting in het Dagelijks Secretariaat, was redacteur van een drietal tijdschriften – De Internationale, Fourth International en The Internationalist – , en raakte bovendien verstrikt in een groots en meeslepend privé-project van Raptis.

Binnen de leiding van de Vierde Internationale was aan het eind van de jaren vijftig een meerderheid tegenover een minderheid komen te staan. De minderheid, gevormd door Raptis en Santen, was van mening dat de revolutionaire mogelijkheden in West-Europa voor langere tijd waren geweken en dat de beweging haar isolement enkel kon doorbreken door zich te richten op de koloniale revolutie. Pierre Frank, Ernest Mandel en de Italiaan Livio Maitan verzetten zich binnen het IS heftig tegen deze opvatting. Daarop besloot Raptis om zelfstandig hulp te bieden aan koloniale bevrijdingsbewegingen.
Raptis’ eerste project omvatte het vervaardigen van wapens en waarde- en identiteitspapieren voor de FLN, het Algerijnse Bevrijdingsfront, dat in de periode 1954-1962 een bloedige vrijheidsstrijd tegen het Franse koloniale bestuur voerde. Santen aarzelde geen moment toen Raptis hem om hulp vroeg. In Amsterdam strikten ze een aantal medewerkers, waaronder de oud-OSP’er en chemigraaf Ab Oeldrich die goed bevriend was geweest met Santens broer Maurits, en in het Duitse Osnabrück vonden ze een drukkerij. Hier beoogden zij grote hoeveelheden Franse bankbiljetten – om de Franse economie te ontwrichten – en legitimatiebewijzen te fabriceren. Daarbij kwam vooral de ervaring die Oeldrich gedurende de Tweede Wereldoorlog had opgedaan met het vervalsen van persoonsbewijzen en bonkaarten goed van pas. Daarnaast werd er in Marokko een wapenfabriek opgezet, waar mortieren, granaten en mitrailleurs werden geproduceerd. Ook hierin speelde Oeldrich een sleutelrol. Hij gaf opdracht aan ontwerpers voor het tekenen van wapenonderdelen en exporteerde machines naar het Arabische land die konden worden gebruikt voor de wapenassemblage. Ondanks de trotskistische ervaring met het werken in de illegaliteit – conspiratief gedrag was hun tweede natuur – kreeg de BVD in 1959 lucht van de operatie. Enkele dagen voordat de bankbiljetten, voor een totaal aan vijf miljard Franse francs, gereed waren deed de politie een inval in de drukkerij in Osnabrück. Daar trof men ‘de modernste naoorlogse valsemunterij van West-Europa aan’. Sal Santen was ervan overtuigd dat de louche drukker Joop Zwart, die zonder toestemming van Raptis en Santen bij het project betrokken was geraakt, het project had verraden. Tijdens de rechtszaak bleek echter dat een zetter gewetenswroeging had gekregen en – al dan niet op advies van Zwart – naar de politie was gestapt. Deze greep op 10 juni 1960 in en arresteerde alle betrokkenen.

Uit Santens Boek Schimmenspel Filmdagboek

Ofschoon de aanklager van het Openbaar Ministerie in zijn requisitoir Raptis aanwees als ‘de motor van strafbare handelingen’ en hoewel Santen tijdens het proces alle schuld op zichzelf trachtte te laden om zijn vriend te ontlasten, kregen zowel Raptis als Santen na een voorarrest van 13 maanden een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden. De rechter achtte uiteindelijk alleen het ‘medeplegen’ van een ‘poging tot’ het namaken van bankbiljetten bewezen.

Afscheid van de beweging

Tijdens zijn gevangenschap had Sal Santen zich twee zaken voorgenomen. Ten eerste wilde hij na zijn vrijlating meer aandacht besteden aan zijn gezin, dat te vaak op de tweede plaats was gekomen. ‘Bij ons ging de illegaliteit [na de oorlog] gewoon door en anderen snapten daar helemaal niets van’, schreef Santens dochter Ellen bijvoorbeeld over haar jeugd. Ten tweede wenste hij binnen de beweging niet langer als een ‘vod’ te worden behandeld. Santen ontwikkelde bijgevolg een grotere gevoeligheid voor de gangbare, harde omgangsvormen in het marxistisch-leninistische milieu. En kritiek kreeg Sal Santen in de volgende jaren voldoende te verduren. Raptis vertrok na zijn gevangenschap naar Algerije en liet de strijd tegen de meerderheid binnen het IS aan Santen over. Deze stond echter machteloos tegenover Frank, Maitan en Mandel en bleef daarom steeds vaker afwezig bij IS-zittingen. In de brievenwisseling tussen Santen en de leden van het IS vlogen de verwijten over en weer.

Van Raptis ontving Sal Santen bovendien het venijnige commentaar dat hij zich niet voldoende zou inzetten voor de wereldrevolutie. De Griek verlangde dat Santen de ‘Pabloïtische tendens’ binnen het IS bleef verdedigen en daarnaast naar Algerije emigreerde. Leven als een beroepsrevolutionair was weliswaar diens droomwens, maar zijn vrouw Bep protesteerde heftig en eiste, met het mislukte Latijns-Amerikaanse avontuur in het achterhoofd, dat vooraf alles geregeld zou zijn. Santens aarzeling zorgde voor wrevel in zijn relatie met Raptis. Hoewel hij er al vaker van was beschuldigd dat hij zijn persoonlijke belangen voor die van de beweging plaatste, leek het alsof deze hoofdzonde hem nu ook daadwerkelijk werd aangerekend door de leidende trotskisten – die niet zoals Santen in loondienst waren of een gezin hadden te onderhouden.
Sal Santen stortte psychisch en lichamelijk in toen bleek dat Raptis hem niet langer tegen derden verdedigde. Per toeval was hij op een brief gestuit waarin de Griek en zijn vrouw over hem roddelden. Emotioneel vroeg Santen daarop om verheldering. In plaats daarvan kreeg hij tijdens hun volgende ontmoeting een snerende opmerking naar zijn hoofd. In een staat van ontreddering capituleerde Santen vervolgens: ‘Die nacht had ik de vreemde sensatie dat ik bezig was dood te gaan. Eerst verstijfden mijn benen, toen mijn hele lichaam. (…) Daarna was het verblijf op de zitting voor mij één grote, verwarrende gebeurtenis, waarin ik bereid was je in alles je zin te geven, als je maar niet kwaad op me was. Ik liet me gewillig kiezen in het Internationaal Secretariaat, zei tegen Hella [Hélène, Raptis’ echtgenote] dat ik naar Algiers wilde komen ook als er helemaal geen geld was, dan moest Bep maar zien hoe ze zich met de kinderen redde. De revolutie ging voor.’ Maar na afloop van de eerstvolgende IS-zitting keerde hij huiswaarts met een zware longontsteking. Santen, die lichamelijk sterk reageerde op psychische problemen, trok zich daarop terug uit de leiding van de Vierde Internationale en de Nederlandse sectie. Wederom kwam hij onder behandeling van een psychiater te staan, die hem aanraadde om voorlopig af te zien van politieke activiteiten. Maar de jaren verstreken terwijl de klachten aanhielden. In 1967 besloot Santen daarom volledig te breken met de trotskistische beweging. Middels een brief aan de Internationale van Raptis – die de Vierde Internationale in 1964 had verlaten om een eigen organisatie op te zetten–  beëindigde hij zijn leven in de revolutionaire beweging.

Te zacht, te emotioneel en te menselijk voor een revolutionair
De anticlimax in de documentaire Sal Santen rebel is karakteristiek voor Santens breuk met de revolutionaire beweging. Michel Raptis wordt aan het einde van de film gevraagd of hij Santen beschouwt als een oude vriend. Na een korte aarzeling is zijn reactie ontkennend. In zijn toelichting vertelt Raptis dat hij geen vrienden buiten de trotskistische beweging erkent en dat hij niet weet welke politieke oriëntatie Santen nu volgt. Dit antwoord verbeeldt het vreemdsoortige wereldje waarin de revolutionaire socialisten leefden. De leefwereld van Raptis en zijn geestverwanten was volslagen zwart-wit; zij bestond louter uit politieke tegenstanders en uit totaal gelijkgezinden. Onwrikbaar bleven zij de politieke lijn volgen die zij ‘zuiver’ achtten. Zij klampten zich vast aan Trotski’s droom dat zijn discipelen op een dag de arbeidersmassa’s naar de wereldrevolutie zouden leiden. De tragiek van het trotskisme is dat juist dit verbeten dogmatisme een grotere toeloop van leden in de weg stond en de beweging veroordeelde tot een bestaan in de marges van de politiek.

Politiek en persoonlijke zaken werden niet gescheiden. Als gevolg hiervan koesterden de trotskisten niet enkel irreële verwachtingen ten aanzien van de toekomst, maar ook ten opzichte van elkaar. Decennialang had Santen aan de revolutionaire beweging een complete baan naast zijn werk als stenograaf. Toch waren zijn inspanningen nooit voldoende. De revolutionaire strijd verlangde dat hij op ieder moment klaar stond om zonder zeuren zijn gezin en werk te verlaten. Zonder goede afspraken te hebben gemaakt reisde hij daarom in 1953 naar Zuid-Amerika en stond hij in 1962 op het punt om naar Algerije te emigreren. Vol overtuiging nam hij bovendien de risico’s die in 1960 tot 15 maanden gevangenisstraf leidden. De trotskistische beweging sprak nooit een woord van waardering uit voor zijn plichtsbesef en inzet. Wat dreef Santen?
 
Aanvankelijk zocht Sal Santen in zijn politieke strijd een antwoord op zijn onzekerheid. Als achttienjarige had hij de kennismaking met Trotski’s doordachte en consistente analyses en profetieën als een openbaring ervaren. Vastigheid boden ook de ‘sterke mannen’ aan wie Santen zichzelf ondergeschikt maakte. Vanaf de Tweede Wereldoorlog kwam Santens politieke strijd in het teken te staan van verzet en wraakneming. In het nationaal-socialisme had hij de meest ontaarde vorm van het kapitalisme herkend en het leed dat hij had geleden als gevolg van de moord op zijn ouders, broer, schoonvader en overige familie was de benzine waarop hij liep. Maar het doel en de middelen van Santens politieke strijd waren irreëel. Naargelang de wereld in hoog tempo veranderde, klampten de trotskisten zich steeds halsstarriger vast aan een negentiende-eeuwse theorie. De kleine trotskistische beweging, die alsmaar verder verscheurd raakte door dogmatisme en sektarisme, kon geen enkele van haar beloften inwilligen. Uiteindelijk stortte Santen in 1962 geestelijk en lichamelijk in. Hij kon niet langer aan de verwachtingen van anderen en van zichzelf voldoen. Ook kon Santen de naargeestige omgangsvormen binnen extreemlinkse kringen niet meer verdragen. Nooit heeft hij zich de mentaliteit, die een compleet zwart-witte leefwereld vergt, nooit helemaal eigen weten te maken. Hij was van karakter naast gedreven ook gevoelig, onzeker, onderdanig en trots. Deze combinatie van eigenschappen maakte hem, zoals de journaliste Elsbeth Etty het verwoordde, ‘te zacht, te emotioneel en te menselijk’ voor een revolutionair.

Voor de verantwoording, noten en het gehele verhaal kun je hier de scriptie Van Marcel Menting ophalen.

Afmelden | Aanmelden