Paulus in een vroeg negende eeuws manuscript

Charles Vergeer

Tarsus

a.    Een jood, geboren te Tarsus
Het boek van Fik Meijer over Paulus van Tarsus, met de ondertitel ‘Een leven tussen Jeruzalem en Rome’ is een voorspelbaar succes geworden, het vond vele lezers. En terecht, Meijer is een erudiet en bevlogen verteller. Omdat het boek geen aanprijzing van node heeft, daar zorgt de naam van de schrijver en de tekst zelf wel voor, ga ik slechts in op een detail: het begin, de geboorte van Paulus. Te Tarsus in Cilicië, aan de hedendaagse zuidkust van Turkije nabij Syrië. Is hij daar werkelijk geboren en doet dat er toe?

De papieren voor Tarsus lijken heel sterk te staan: in Handelingen wordt de naam van de stad maar liefst vijf keren in verband met Paulus gebracht. Wie nader toeziet krijgt oog voor de moeilijkheden. Eerst (9, 30) wordt gezegd dat Paulus daarheen, wellicht in het jaar 33, gaat of liever gestuurd wordt en in verbanning gaat. Vele jaren nadien gaat Barnabas hem daar ‘zoeken’ en naar Antiochië brengen. (11, 25) De precieze datum van die teugkeer is moeilijk vast te stellen, ze zal in het begin van de jaren veertig gevallen zijn en het verblijf van Paulus te Tarsus kan dus een jaar of acht geduurd hebben.

Daarna volgt de bekendste vermelding van Tarsus, de tekst waarom het draait. In Jeruzalem in het jaar 55 – maar de chronologie van het leven van Paulus blijft omstreden – voor het volk sprekend, zegt hij: ‘Ik ben een jood, geboren te Tarsus in Cilicië, maar hier in de stad grootgebracht en aan de voeten van Gamaliël opgevoed volgens de strenge opvattingen van de voorvaderlijke Wet.’ (22, 3) Enkele zinnen eerder had hij hetzelfde al gezegd: ‘Ik ben een jood uit Tarsus in Cilicië, burger van een niet onaanzienlijke stad.’ (21, 39). Dat zinnetje bevat een stijlfiguur, een litotes – niet onvermaarde stad – eerder afkomstig van de retorisch geschoolde Griek die Handelingen schreef, dan van Paulus zelf. In de, zoals doorgaans, slordige Willibrord vertaling werd het woord anthrōpos weggelaten waardoor de tegenstelling in de zin ook wegviel: als mens een jood, als burger van Tarsus. Er staat dus niet: ‘ik ben een jood uit Tarsus’, integendeel er wordt een tegenstelling tussen het jood zijn en de burger van Tarsus gemaakt. Ook staat er in het Grieks helemaal niet ‘een jood uit Tarsus’, maar Tarseus tès Kilikias:  niet: ‘Uit Tarsus’ maar ‘Tarsencer’. Hier staat dus niet dat hij geboren is in Tarsus, maar daar burger is. Dat iets verder in het verhaal juist het ‘burger van Rome’ naar voren gebracht wordt, hoef hiermee niet in tegenspraak te zijn.
Behoudens deze moeilijkheden en aantekeningen daarbij deel ik de mening van enkele filologen1 dat 21,39 pas later vanuit 22,3 in de tekst van Handelingen opgenomen werd.

Er is nog een vijfde vermelding in Handelingen, de allereerste zelfs, waarin Tarsus vermeld wordt. Meteen na de openbaring op weg naar Damascus krijgt ‘een leerling’, Ananias, de opdracht naar het huis van Judas te gaan om daar te vragen naar ‘Saulus van Tarsus’. De tekst geeft 'Saulon onomati Tarsea’, Saulus genoemd de Tarsencer.’ (9, 11) Als dit een betrouwbare tekst is, dan is het een belangrijke tekst. Er staat wel is waar niet dat Paulus geboren werd in Tarsus, maar het onomati, ‘genaamd’ kan moeilijk iets anders betekenen dan ‘geboortig’. Hier wordt Paulus al Tarsencer genoemd nog vóór de jaren dat hij daar in ballingschap verbleef. Vóór? Nu ja, in het verhaal, in werkelijkheid werd het pas een eeuw later opgeschreven.

Bepalen we ons tot de mededeling in 22, 3, dan moeten ook daar opmerkingen bij gemaakt worden. De belangrijkste is eigenlijk al zestig jaar geleden door de Utrechtse hoogleraar W.C. van Unnik gemaakt,2 maar blijkbaar weer in de vergetelheid geraakt. Van Unnik herkende in deze mededeling een hellenistisch retorisch stijlfiguur: gegennèmenos – geboren, anatethrammenos – getogen (opgegroeid) en pepaideumenos – opgevoed. De tekst stelt dus duidelijk geboren te Tarsus en opgegroeid en opgevoed te Jeruzalem.
Dit betekent dat Lucas dus zegt dat Paulus weliswaar in Tarsus geboren werd maar van jongs af aan in Jeruzalem opgroeide. Dat herhaalt hij ook in de toespraak van Paulus tot koning Agrippa: ‘(…) elke jood kent mijn leven, vanaf mijn jeugd, want dit heeft zich van het begin af aan afgespeeld te midden van mijn volk en in Jeruzalem.’ (26, 4)3

Wat opvalt zijn verder twee zaken: hier wordt door de schrijver van Handelingen een retorische stijlfiguur uit de filosofie of pedagogiek gebruikt die laat merken dat de geleerde Griek die we Lucas noemen hier aan het woord is en niet de jood Paulus zelf. Dit heeft Paulus zo nooit gezegd, het werd hem pas decennia na zijn dood in de mond gelegd door iemand die hem hoogstwaarschijnlijk nooit gezien of gesproken heeft. Hier zegt Lucas iets over de geboorte van Paulus, maar hij schreef dat omstreeks 96 en Paulus was omstreeks 6 voor onze jaartelling geboren. Hoe wist Lucas een eeuw later waar Paulus geboren was?
Vroeger was het antwoord: omdat hij een vriend en jarenlang reisgenoot van Paulus was. De reizen van Paulus vielen in de jaren veertig en vijftig, Handelingen werd tegen de eerste eeuwwisseling geschreven. De schrijver zelf zegt in zijn inleiding op het dubbelboek, soms zelfs driedubbel boek geheten – over Johannes en Jezus, Petrus en Paulus – dat hij documenten las en bestudeerde van mensen die destijds wel tijdgenoten waren. Zelf was hij dat niet.

Wat wel het antwoord is, kan niemand zeggen. Maar enkele mogelijkheden of overwegingen kunnen we wel geven.
a.    Misschien kon de schrijver van Handelingen niet meer weten of achterhalen waar een eeuw eerder Paulus geboren was, maar wist hij wel wat hij zelf twee keer geboekstaafd had: hij kwam uit Tarsus en had daar vóór zijn optreden lang gewoond.
b.    Lucas heeft een overduidelijk thema, een leidraad in zijn verhaal: van de joden in Jeruzalem en Judea, via de Grieken en Athene naar hen die in Rome wonen. Hij keert zich, al verhalend, steeds heftiger af van de joden en knoopt de band tussen Paulus en de Romeinen steeds hechter. Dat Paulus geboren was in een Griekse stad met een grote universitaire naam – om dit anachronisme maar te gebruiken – was van het begin af aan al een aardige duw in de goede richting. Bekennen dat Paulus jood onder de joden was, was hem letterlijk wegzetten en het verhaal op achterstand laten beginnen. Maar Paulus zelf zegt in zijn brieven en bij herhaling volkomen duidelijk: ‘Zijn zij Hebreeën? Ik ook! Zijn zij Israëlieten? Ik ook! Zijn zij kinderen van Abraham? Ik ook!’ 4
c.    Misschien dat de auteur van Handelingen bekend was met het enige stukje levensbeschrijving van Paulus zelf, door latere redacties eensdeels aan het slot van de tweede brief aan de gemeente te Corinthe (11, 22-33) geplaatst en anderdeels opgenomen aan het begin van een brief zogenaamd aan de Galaten (1, 13 tot en met 2, 14) gericht. Daarin schrijft Paulus zelf; ‘Daarna ben ik naar het gebied van Syrië en Cilicië gegaan.’5 Mogelijk dat Lucas deze aantekening van Paulus zelf over zijn levensloop aangreep om de aanzienlijkste stad van die streek, Tarsus, in zijn verhaal op te nemen.
d.    Misschien is het een spijker bij laag water, maar de naam Tarsus staat niet zo vast. Wij hanteren de gelatiniseerde versie, TARSVS, van het Griekse Tarsos. Paulus zal het wellicht in het west-Aramees dat hij sprak, Tarson hebben genoemd terwijl de joden daar doorgaans Oost-Aramees spraken en Darson zullen hebben gezegd. Maar de stad heette sinds de Seleucidische machthebbers Antioceia tou Kudniou. In het Latijn Antiochia ad Cydnum. In onderscheid dus van Antiochië aan de Orontes, Antiochië aan de rivier de Cydnus geheten. Zo verschijnt de stad twee eeuwen in de berichten over haar, tot Julius Caesar haar een nieuwe naam geeft en naar zijn eigen familie noemt: Juliopolis.

b.    Geboren en getogen
Het belang van Tarsus als geboorteplaats van Paulus verdwijnt als we de kundige opmerkingen van Van Unnik ter harte nemen. Dan is hij daar weliswaar geboren, maar het opgroeien en opvoeden gebeurde in Jeruzalem. De schrijvers echter die Tarsus als geboorte plaats aanmerken nemen daar geen genoegen mee maar breiden dat gegeven op een onverantwoorde en ontoelaatbare wijze verder uit. Fik Meijer bijvoorbeeld, zegt in zijn aardige boekje over de Zeereis van Paulus over Tarsus: ‘Hij bracht er zijn jeugd door, een periode die een stempel op zijn verdere leven heeft gezet.’ Dat is nu juist wat Lucas, de enige bron, met zoveel woorden ontkent. ‘Waarschijnlijk heeft ook Paulus hier zijn eerste lessen in de filosofie gehad (…)6
Voor Cees den Heyer, die een mooie en degelijke studie over Paulus schreef, is Paulus al in de ondertitel van zijn boek Man van twee werelden.7
Dat voert tot veel dat als vanzelfsprekend wordt voorgesteld maar volkomen uit de lucht is gegrepen. In een recente studie, verschenen in The American Journal of Biblical Theology schrijft de eerwaarde Quency E. Wallace terecht dat Tarsus een grote naam had als universiteitsstad en volgens Strabo een tijd lang in hoger aanzien stond dan Athene en Alexandrië. Athenodorus van Tarsus onderwees zelfs de latere keizer Augustus in de leer van de Stoa.  Maar het gaat niet aan daaruit dan te ‘concluderen’: ‘Paul has been raised in a Hellenistic (Greek thought, influence and customs) society in Tarsus.’ Naast het volkse Grieks sprak hij ‘fluent in Classical Greek’.8
Er staan inderdaad enkele Stoicijnse dicta in de brieven van Paulus, maar ze staan in de onechte brieven, pas een halve eeuw na zijn dood geschreven en aan hem toegeschreven.9 Zelfs Rudolf Bultmann meende invloed van de Stoa bij Paulus aan te kunnen wijzen.

George T. Montague geeft hoog op van de beheersing door Paulus van het klassieke Grieks, Attisch, ‘which indicated that he had been exposed to Greek learning at the university level (…) or philosophical schools in his training.’  En ‘that he frequented the Hellenistic schools of rhetoric.’ 10 De bewijzen, het citeren van Aratus, Menander en Epimenides deugen niet want ze komen geen van alle uit authentieke teksten van Paulus.11 Paulus beheerst het volkse Grieks, zeker, maar van retorische scholing of het hanteren van het Attisch geeft hij nergens anders blijk dan in de pas veel later door anderen geschreven teksten.
De echte teksten van Paulus tonen dat hij het Attisch niet beheerste, geen retorische scholing had genoten en evenmin invloed van de Stoa had ondergaan. In tegendeel, in zijn eigen woorden keert hij zich vaak met felheid tegen de Griekse wijsheid en retorica.

Verwant met deze door Lucas eigenlijk al weersproken – ‘opgegroeid en opgevoed in Jeruzalem’ – vooroordelen zijn behalve Attisch, filosofie en retorica ook het idee dat Paulus Romeins burger was en tentenmaker. Het eerste besprak ik al eerder. Over het beroep dat Paulus uitoefende: werkzaam bij skènepoioi, tentenmakers, zegt Lucas. (Handelingen 18, 3) Dat verrast elke moderne lezer, want het is een onverwacht beroep voor een rondreizende prediker. Maar voor elke antieke lezer was het opgelegd pandoer. Zoiets als X komt uit Edam of Gouda en is kaasmaker. In de legers, bij de nomaden, op reis droeg men een sterk van zwart geitenhaar geweven gewaad, het cilicium, dat in Cilicië vervaardigd was en verkocht op de stapelmarkten van Tarsus. De in Tarsus gemaakte zwarte tentzeilen waren beroemd in het hele rijk en overal in Asia Minor en Syria hingen ze als over markten en straten om bescherming tegen de felle zon te bieden.

Aan de vermelding van Tarsus hangt dus veel, veel te veel, zeker als we de tekst lezen zoals zij er staat: geboren te Tarsus, opgegroeid en opgevoed te Jeruzalem.
Paulus zelf, in de teksten die echt van zijn hand zijn, doet zich kennen als een jood, IJveraar voor de Wet, Farizeeër, getrouw aan het geloof der vaderen en belezen in de Schrift en de geschriften. Joodse jongens van zijn tijd kregen, zoals tijdgenoten als Philo Judaeus en Flavius Josephus beschrijven, vanaf hun vijfde levensjaar les in de vijf boeken van Mozes, de Pentateuch, en vanaf hun tiende kwamen ze in aanraking met de Mishnah, de uitleg van de Wet.

Indien de tekst ‘opgegroeid en opgevoed hier in Jeruzalem aan de voeten van Gamaliël volgens de strenge opvattingen van de voorvaderlijke Wet’ (Handelingen 22, 3) klopt, dan heeft Paulus een uitzonderlijk bevoorrechte hoge opleiding genoten. De school van Hillel werd geleid door Gamaliël I, waarschijnlijk zijn zoon. Deze man van hoog aanzien wordt al genoemd in Handelingen 5, 34 waar hij tegen de wil van de hogepriesters ingaat en het Sanhedrin weet te overtuigen geen doodvonnissen tegen de leiders van de moederkerk van Jeruzalem en Judea uit te spreken, maar hen vrijspraak te verlenen. In die tijd was zijn leerling Saulus wel bezig in opdracht van de hogepriesters de christenen te vervolgen.

De school van Gamaliël I was nog ijverend voor de Wet. Na de oorlog met de Romeinen en de ondergang van tempel en stad werd in de tweede eeuw deels in de Hebreeuwse Wet, deels in de Griekse wijsheid les gegeven door Simeon, de zoon van Gamaliël II. James D.G. Dunn, na eerdere opmerkelijke studies over Jezus, Paul and the Law: Studies in Mark and Galatians (Philadelphia 1990), smeedde de term The new Perspectives on Paul in zijn Collected Essays (Tubingen 2005). Niet iedereen zal zo ver gaan als Pamela Eisenbaum: Paul was not a christian. The original message of a misunderstood apostle. (New York 2009) Maar het zo klakkeloos oplepelen van Tarsus, tentenmaker, Romeins burger, retorica, filosofie, Stoa en klassiek Grieks toont meer eerbied voor traditie dan voor de tekst.
 
c.    Saulus van Gischala.
Er is nog een bericht uit de oudheid over de plaats waar Paulus geboren zou zijn. Het is afkomstig van Hiëronymus die schrijft dat Paulus geboren werd in Gischala in Judea. Het bericht werd terzijde geschoven omdat traditioneel werd aangenomen dat Paulus zelf gezegd had dat hij een jood uit Tarsus was. En dan iemand die bijna vier eeuwen na de geboorte van Paulus opeens met een totaal ander bericht aankomt.

Nu zijn er twee wegen om deze afwijkende berichtgeving te benaderen. We kunnen, zoals hierboven gebeurde, gaan twijfelen. Dan zien we eerst dat Paulus niets zei maar dat Lucas het hem veel later in de mond legde. En vervolgens gingen we twijfelen aan het gezag van Lucas, vriend en reisgenoot van Paulus. Waarschijnlijk verliepen er twee generaties voordat een ons onbekende schrijver het verhaal over Jezus, Petrus en Paulus vertelde, mannen van vóór zijn dagen, die hij nooit gezien of gesproken had. Handelingen geeft geen ooggetuigen verslag van een vriend en reisgenoot maar is een versie van de gebeurtenissen verregaand aangepast aan de veranderde tijden. Het spreekt niet meer over Paulus als een jood, maar als een christen. Niet meer over de man die vol ijver getrouw was aan de voorvaderlijke Wet van Mozes, maar over iemand die tenslotte de joden vol afschuw afwees en daarentegen, zoals de brief aan de Romeinen afsluit: ‘alle heiden-volken’ bracht ‘tot (het geloof’. (16, 20) Lucas die Paulus in de mond legt ‘ik moet naar Rome’ (Handelingen 19, 21) en die het verhaal met vuur en vaart voortstuwt van Jeruzalem naar Rome, maakt weliswaar halverwege plaats voor een grote rede van Paulus te Athene op de Areopaag, brengt Paulus als het ware van het begin af aan al halverwege door hem een diaspora jood, een Griek met Romeins burgerrecht te maken. In die dagen was de roem van Athene en Alexandrië ten achter geraakt bij die van de universiteitsstad Tarsus, met een kwart miljoen inwoners en een bibliotheek met tweehonderdduizend boekrollen.
De gerezen twijfel geeft ruimte om het late bericht van Hiëronymus toch eens nader te beschouwen. Fik Meijer stelt daarbij de klassieke vraag cui bono? ‘(…) de vraag welk belang Hiëronymus erbij had om een van de gangbare opvatting afwijkende interpretatie te geven en zich te baseren op een klaarblijkelijk allang bestaande traditie dat Paulus niet was geboren in Tarsus, maar in Gischala.’12
Inderdaad, juist omdat Hiëronymus uiteraard heel goed wist dat al eeuwen aangenomen werd dat Paulus in Tarsus geboren was, moet hij wel sterke beweegredenen hebben gehad om opeens iets anders te beweren.
Bovendien ontkent hij het verblijf van Paulus in Tarsus helemaal niet maar legt juist uit hoe hij daar kwam. Extra informatie dus en bovendien geeft de kerkvader twee keer dezelfde informatie.

In een commentaar op de aan Paulus toegeschreven brief aan Philemon, schrijft Hiëronymus in het jaar 388: ‘Ze zeggen dat de ouders van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie door de Romeinen verwoest werd en de joden zich verspreidden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsus, een stad in Cilicië. De jonge Paulus deelde het lot van zijn ouders.’13
In 392 publiceert Hiëronymus De viris illustribus en daarin, caput 5, herhaalt hij: ‘Paulus de apostel die eerder Saulus werd genoemd (…) was van de stam van Benjamin en afkomstig uit de stad Gischala in Judea. Toen de stad door de Romeinen werd ingenomen, is hij met zijn ouders mee naar Tarsus in Cilicië gekomen.’

Een opwindend bericht. We zien dat Hiëronymus vijf jaar later vasthoudt aan zijn eerder bericht maar er ook wat in verandert. Eerst heette Gischala nog ‘een landstreek in Judea’ daarna werd het terecht ‘een stad’. Maar beide keren ‘in Judea’, terwijl Gischala het meest noordelijk in Galilea gelegen stadje is, in de bergen van Noord Galilea.14 Heel wat dichter bij Damascus dan Jeruzalem. De misvatting van Hiëronymus is verklaarbaar, want hij zegt uitdrukkelijk dat Paulus van de stam Benjamin is, die traditioneel in Zuid Judea gevestigd was.
Gischala is ook de geboorteplaats van de meest beruchte en bloeddorstige leider van de joodse opstand en oorlog, Johannes van Gischala. Misschien reden om deze omineuze naam Gischala maar te verzwijgen.

Hiëronymus geeft dus zijn bericht over Paulus terwijl hij heel goed wist daarmee tegen de traditie in te gaan. Hij herhaalt het vijf jaar later. In de tussentijd is hij kritisch ermee bezig geweest, want hij brengt verbeteringen aan. En zijn lezing is eigenlijk niet zozeer in strijd met die van Lucas als wel een aanvulling ervan en een verklaring van het verblijf in Tarsus.
 
Hoe komt Hiëronymus aan dit gegeven over Gischala en de vlucht naar Tarsus? Hij leefde en werkte, als een bezetene soms met het dicteren van duizend regels per dag en de doorlopende studie van het Hebreeuws, toen in Bethlehem. In 387 vatte hij het plan op om commentaren te schrijven bij alle brieven van Paulus. Als een soort vingeroefening begon hij met het korte briefje aan Philemon. Enkele dagen later begon hij aan zijn commentaar op de brief aan de Galaten, dat onderbroken werd door een brief uit Rome waarin de dood van Albina, de bejaarde moeder van Marcella, gemeld werd. Om Marcella, op haar verzoek, te troosten werkte hij onder hoogspanning verder aan zijn commentaren op Galaten, Ephesiërs en Titus. Na die inspanning, brak hij zijn werk af om er nooit meer op terug te komen. De vertaling van de Bijbel wachtte als grootse taak.

J.N.D. Kelly wijst er op dat, zeker waar het gaat om het commentaar op Philemon, Hiëronymus gebruik maakte van het – voor ons verloren gegaan – Griekse commentaar op dezelfde brief van Origenes.15
Als het werkelijk zo is dat Hiëronymus in 387 steunde op het commentaar dat Origenes misschien omstreeks 240 te Caesarea schreef op de brief van Paulus aan Philemon die een redactie omstreeks 110 te Ephese aan hem toeschreef – wat een mist en mogelijkheden – dan durf ik mijn hand, die ik bij Lucas telkens schielijk terugtrek, wel in het vuur te steken.
Als we werkelijk, op gezag van Origenes – op gezag van een tekst die we niet meer hebben – het verhaal over de afkomst van Paulus uit Gischala aannemen, dan heeft dat twee belangrijke consequenties.
a.
De eerste spruit voort uit de eerste verwijzing van Hiëronymus:
‘Ze zeggen dat de ouders van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie door de Romeinen verwoest werd en de joden zich verspreidden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsus, een stad in Cilicië. De jonge Paulus deelde het lot van zijn ouders.’
Deze zinnen zijn voor Fik Meijer aanleiding om te schrijven dat het heel wel mogelijk is dat Paulus en zijn ouders bij de gevangenen hoorden die naar de haven van Ptolemais gebracht werden, daarna op de slavenmarkt van Antiochië gebracht werden en daar door de soldaten verkocht werden ‘aan een handelaar die ze te Tarsus te koop aanbood.’ (p. 48) Nog geen bladzijde verder is het jongetje Saulus weer vrij en zien we hem een decennium later nog steeds te Tarsus en ‘mogen we aannemen dat wijsbegeerte ook in het studieprogramma van Paulus niet heeft ontbroken.’ (p. 49) Weer iets verder, als hij ‘eenentwintig jaar oud’ is, besluit hij, nogal modern, ‘om de zoektocht naar zijn identiteit’ verder in Jeruzalem te doen. (p. 50)
Ik denk niet dat iets van dit alles steun in de tekst heeft.

b.
Belangrijker is wellicht dat we de leeftijd van Paulus te weten zijn gekomen. In beide berichten immers zegt Hiëronymus dat er een opstand was, een strijd in Galilea die door wreed optreden van de Romeinen werd beslist. Daarover zijn we op de hoogte door de teksten van Flavius Josephus. Na de dood van koning Herodes de Grote, in 4 vóór onze jaartelling brak de opstand uit die door de Romeinen wreed, vooral door de verwoesting van de stad Sepphoris, werd onderdrukt. De familie van Paulus had haard, huizen en bezittingen in Gischala, waar de jongen geboren werd. Zijn ouders vluchtten voor het militaire geweld in 4/3 en ‘de jonge Paulus deelde het lot van zijn ouders’. Wie de originele in het Latijns gestelde tekst erop naslaat15 leest: ‘parentum conditionem  adolescentitulum Paulus seculum.’ In dezelfde omstandigheden als zijn ouders verkeerde de jongeman Paulus. Een adolescent is tussen de 12 en 16. Dan  mogen aannemen dat Paulus omstreeks 18 vóór onze jaartelling in Gischala geboren werd, met zijn ouders in 4/3 gedwongen werd te vluchtten en tijdelijk in Tarsus te verblijven. Maar al spoedig daarna vertrokken ze naar Jeruzalem waar Paulus dus niet ‘opgroeide’ maar wel studeerde.
Paulus, doorgaans als jonger dan Jezus gezien – want hij kwam toch pas daarna? – was ongeveer twintig jaar ouder dan de man die volgens Lucas na de opstand tegen de census van Quirinius even buiten Bethlehem werd geboren in het 7-de jaar van de naar hem getelde jaartelling.

Paulus leefde van omstreeks 18 vóór onze jaartelling en stierf waarschijnlijk in 59 te Rome. In dat geval werd hij ongeveer zevenenzeventig jaren oud. Jezus werd in het jaar 7 geboren en stierf in de lente van het jaar 30. Hij werd dus ongeveer tweeëntwintig.

Dat Paulus vroeger dan we doorgaans aannamen werd geboren was wellicht al te begrijpen door de mededeling serieus te nemen dat hij omstreeks 30 in opdracht van de hogepriesters het commando had over de vervolging van de aanhangers in het volk van de Gezalfde Gods. Het verlenen van gezag, autoriteit was bij de joden, netzo als bij de Romeinen, aan strenge leeftijdsgrenzen gebonden. Autoriteit werd alleen verleend aan mannen boven de dertig en beslissende bevoegdheden aan hen die boven de veertig waren. Toen de Gezalfde Gods aan het kruis stierf, in het jaar 30, liep Paulus tegen de vijftig.

Fik Meijer: Paulus. Een leven tussen Jeruzalem en Rome. Amsterdam 2012.

Afmelden | Aanmelden