Symposium Bestaat de arbeidersklasse nog?

Kunnen historici het begrip arbeidersklasse nog gebruiken nu de geschiedschrijving zich aan de ene kant richt op individuen en aan de andere kant richting globale geschiedenis gaat?

Jacques Giele (1942 – 2012) was een historicus die in de jaren zestig en zeventig op drie fronten iets nieuws bracht.
- aandacht voor het dagelijks leven van arbeiders in de negentiende eeuw
- geschiedschrijving van onderop of de mens die zijn eigen geschiedenis maakt
- bijdrage aan de definitie van klasse in Nederland en de gelaagdheid van de arbeidersklasse.

De arbeidersklasse
Jacques richtte zich vooral op de geschiedenis van de arbeid en de strijd van arbeiders in het negentiende-eeuwse Nederland. Hij onderscheidde daarbij verschillende lagen binnen de arbeidersklasse. Een belangrijke gedachte die tegenwoordig, nu het denken in klassen niet populair meer is, van belang kan zijn. Zijn benadering biedt aanknopingspunten om de studie van het klassenvraagstuk en de gelaagdheid van de mondiale arbeidersklasse voort te zetten. Daarbij gaat het op de eerste plaats om de vraag of de maatschappij in klassen is verdeeld en op de tweede plaats hoe de arbeidersklasse, als ze bestaat, is samengesteld.

Giele liet zien dat wat wij de arbeidersklasse zouden noemen rond 1850 in werkelijkheid een gelaagd geheel was, ook in de hoofden van de arbeiders zelf. Dat onderscheid was van cruciaal belang. Er bestond een duidelijk verschil tussen geschoolde arbeiders en het ongeschoolde proletariaat zoals er nu ook verschil bestaat tussen loonarbeiders in de Westerse wereld en die in de ontwikkelingslanden. Die verschillen hebben uiteraard gevolgen voor de manieren waarop die verschillende lagen strijden voor een beter leven. Zo werkte het groepsbewustzijn van diverse beroepsbeoefenaren lange tijd door binnen de negentiende-eeuwse arbeidersbeweging.

Doordat Giele de vroege socialistische en vakbeweging vanuit het veranderende beroep analyseerde, begreep hij hoe veranderende werkomstandigheden, sociale verhoudingen en migratie van het platteland naar de steden doorwerkten in de arbeidersbeweging. Hij deed dit in de overtuiging “dat een juist begrip van het ontstaan en de ontwikkeling van de arbeidersbeweging onmogelijk is zonder een grondige kennis van het arbeidersleven zoals dat door de arbeiders zèlf ervaren werd”. Al met al waren Giele’s onderzoekingen een basis voor een rijk geschakeerde geschiedenis van de strijd van negentiende-eeuwse arbeiders en werklieden om verbetering in hun toestand te krijgen.

De grote verschillen binnen de arbeidersklasse hadden tot gevolg dat het lang duurde voordat de vroege vakverenigingen van handwerkslieden, met al hun culturele en sociale activiteiten en beroepstrots, samenkwamen met de minder geschoolde arbeiders die hun onvrede met de bestaande situatie vooral in acties uitten. In dit proces was volgens Giele het vroege socialisme van groot belang, omdat dit de actievoerende arbeiders en handwerkslieden van een ideologie en duidelijk doel voorzag. Toch betwijfelde hij of je rond 1914 al kon spreken van een zelfbewuste arbeidersklasse. Dat heersende opvattingen (katholieke, protestantse, liberale) een belemmering waren voor het ontstaan van zo’n zelfbewustzijn, bleef bij Giele merkwaardigerwijs onbesproken. Hier voldoet de beroepservaring als verklarend model niet.

In het werk van Giele zitten allerlei stimulansen en problemen verborgen die het waard zijn om te betrekken in het onderzoek naar het mogelijke bestaan van een mondiale arbeidersklasse nu.

Mondiale gelaagdheid
Mondiaal gezien zijn de vragen naar de gelaagdheid en naar de gedragingen van de arbeiders ook van groot belang. Ze zijn verdeeld naar nationaliteit en hebben ieder een specifieke plaats binnen de bestaande produktiekolommen. De onderlinge verbondenheid van alle werkers over de wereld lijkt een gegeven, maar hoe de verhoudingen precies liggen, is de vraag. De globalisering van de wereldhandel vanaf rond 1800 heeft met onderbrekingen van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw alle continenten met elkaar verbonden. Een enorme uitwisseling van grondstoffen en eindproducten vond plaats. Van twee beroepsgroepen, de havenarbeiders en de textielwerkers, is de mondiale geschiedenis geschreven. Deze onderzoeksprojecten (inmiddels is er ook een mondiaal scheepsbouwindustrieproject gestart) doorbreken eurocentrisme en brengen nieuwe inzichten naar voren over het ontstaan en de ontwikkeling van het kapitalisme.
Arbeiders waren en zijn dan misschien theoretisch één klasse, maar de praktijk laat zien dat die klasse tegelijk cultureel en wat betreft directe economische belangen sterk verdeeld was en is. De internationale vakbeweging onderneemt al ruim een eeuw voorzichtige en vaak ook wanhopige pogingen om die verdeeldheid te doorbreken zoals de nationale vakbeweging dat in een eerdere fase ook binnen de verschillende natiestaten probeerde. Soms met meer, soms met minder succes.

Zoals we de negentiende eeuw beter leerden kennen door toepassing van de aanpak van Giele, zo kunnen we voor het onderzoek naar de huidige ontwikkelingen misschien ook gebruik maken van die aanpak. Een aanpak die Jacques Giele bijna een halve eeuw geleden ontwikkelde.
 
Sprekers
- Marcel van der Linden, schrijver van Workers of the World. Essays toward a global labor history.
- Bert Altena, wetenschappelijk medewerker aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam
- Peyman Jafari, onderzoeker van arbeiders en olieindustrie in Iran.
Voor de onderwerpen en de synopses zie hier.

Afmelden | Aanmelden