+31203417896 buschges@bart.nl

Jeugdcultuur in Haarlem en Doeschka Meijsing


In de in 2016 gepubliceerde dagboeken En liefde in mindere mate van Doeschka Meijsing zien we hoe beroemd zij is in de jaren van 1963 tot 1967 op haar school, het Rooms-Katholieke Sancta Maria, alleen voor meisjes, vanwege haar toneel- en redactieactiviteiten en haar gedichten in de schoolkrant Primitiae. Zij trad ook op op literaire concoursen, zoals in maart 1963 voor een cultureel interscholair jeugdtournooi in Haarlem en wel met haar gedicht ‘Avond’. Zij was een onderdeel en medebepaler van de Haarlemse jeugdcultuur. Haarlem bezat een bijzondere jeugdcultuur. Minder politiek gericht dan in Amsterdam. Cultuur gericht met De Waag van Coby Schreijer (waar Joan Baez en Paul Simon hun opwachting en Ernst Jansz en Boudewijn de Groot hun debuut maakten), met de Toneelschuur als alternatief theater, met de vele concoursen voor jonge dichters, de muziekfestivals, het korte bestaan van de Haarlemse Film Liga,[1] de mislukte poging om iets van basisdemocratie van de grond te krijgen buiten de politieke partijen om (waar ik toevallig bij betrokken was), de teach-ins, de vele sportspektakels als de Haarlemse Honkbal en Basketbalweken en aan de Bakenessergracht het Electric Center, dat met de term jeugdhonk te eng getypeerd is.

En natuurlijk de Haarlemse schrijvers, waar de familie Meijsing een belangrijke rol speelde. Vooral Doeschka, die als oudste dochter van het gezin het begin van de jaren zestig meemaakte.
Haar jongere broer Geerten heeft zijn jeugdherinneringen van de tweede helft van die jaren zestig beschreven in Michael van Mander. Het hoofdthema is Geertens jeugdvriendschap met Michael. Daarnaast en misschien wel het eigenlijke onderwerp: de jeugdcultuur van Haarlem in de tweede helft van de jaren zestig. Geerten ontdekte de jazz, speelde tenorsax als lid van het Joop Cavé Quintet en organiseerde het festival Experiment 66. Het is allemaal te bewonderen in  Michael van Mander. Het zijn fraaie beschrijvingen van allerlei culturele uitingen en spirituele uitspattingen in Haarlem. Dat blijkt naast de passages uit Michael van Mander ook uit de publicatie En liefde in mindere mate van Doeschka Meijsing. Zij komt echter niet tot nauwelijks voor in Geertens boek: ‘Ik heb niet bestaan in die jaren’, schrijft Doeschka in haar dagboek op 30 maart 1979 naar aanleiding van de publicatie van Michael van Mander.  De enige verwijzing naar haar in Michael van Mander staat m.i. op pagina 78 als Geerten beschrijft hoe drie dichters op zijn manifestatie optraden: “één die ronkend declameerde, één die gillend zijn poëmen bracht en het onverstaanbare gemompel van een echte dichter”.Dat het een verwijzing zou kunnen zijn, behoeft enige toelichting. In haar eindexamenjaar 1967 heeft Doeschka vier gedichten geschreven. Zij noteert op 8 maart 1967 in haar dagboek: “Vandaag is er een dichtbundel uitgekomen van vier dichters, drie jongens en een meisje, en dat meisje ben ik. M’n gedichten erin zijn goed.” Zouden de drie jongens de drie dichters uit Michael van Mander zijn?

In annotatie 280 schrijven de editeurs van En Liefde in mindere mate Ben Peperkamp en Annette Portegies dat ze deze publicatie niet hebben kunnen vinden in de door hen geraadpleegde archieven en bibliotheken. Ik heb de uitgave gevonden in het Amsterdamse Stadsarchief. De editeurs zitten wel in de goede richting als ze schrijven: “Mogelijk doelde Doeschka Meijsing op een editie van het tijdschrift Vraagteken”. Geen editie, maar wel een vervolg op dat tijdschrift. Deze eenmalige uitgave kreeg de naam Medium. Van Medium is maar één editie bekend. Het is niet bijzonder vormgegeven, is waarschijnlijk gestencild en er zitten grappige typefouten in (+ in plaats van een -). Een gelegenheidsuitgave lijkt het wel.

De gedichten van Doeschka zijn bijzonder zoals:

Ik
spreek een woord en
de taal
kaatst het terug naar mij
en heeft het
niet begrepen
zo
spreek ik iedere dag
met ieder mens
hij
spreekt een woord en
de taal
(waarin men pleegt te spreken)
brengt het vergeefs naar
mijn mond
zo spreekt hij
ieder dag met mij.
neem dan
mijn woorden in de
palm van je hand
opent de hand zich
verdwijnen de woorden en
de taal
richt weer op
zijn geel skelet.

Terug naar de drie jonge dichters. Het zijn Sipke Faber, Jan Metz en Bart van Heerikhuizen. Faber komt wel in de annotaties voor, de twee anderen niet. Het is aardig om te bedenken wie van de drie een soort Johnny the Selfkicker-achtige toneelact ten beste gaf, toch niet de latere hoogleraar sociologie Bart van Heerikhuizen? Of wel? Op de website van Bart staan zijn poëtische bijdragen aan de bundel niet vermeld. Sipke Faber heeft weinig specifieke herinneringen aan die tijd, zoals in de annotaties vermeld staat.

In de bundel medium vind ik de gedichten van Doeschka de mooiste. Zij getuigen van haar literaire ambities en kwaliteiten. Doeschka leefde tijdens en gaf vorm aan de Haarlemse cultuurexplosie van het midden van de jaren zestig. Haarlem is dan een bruisende stad, vooral door de middelbare scholieren, zoals zij er een van was. Maar ook Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh van aanpalende scholen. Haarlem was in haar uitgebreide werk een constant aanwezige. En niet haar geboortestad Eindhoven.

Leo Postma, uitgever of hoofdredacteur, schrijft in het voorwoord van de kleine uitgave Medium: ”Na het opheffen van “?” wegens technische moeilijkheden is er weer behoefte ontstaan aan een uitlaat voor jonge dichters uit Haarlem en omgeving.” Het tijdschrift ? (Vraagteken) hebben de editeurs wel gezien. Maar niet het tijdschrift Medium met de vier gedichten van Doeschka Meijsing. Ze hebben inderdaad veel archieven en bibliotheken gezien, maar niet het Stadsarchief Amsterdam. Een snelle blik in het bibliotheekbezit, naam Meijsing intikken en het blad Medium rolt er uit. Dat de editeurs niet en ik wel aan het Stadsarchief Amsterdam dachten, komt waarschijnlijk omdat ik de reputatie van die instelling ken: ze bewaren alles als het maar iets met Amsterdam en omgeving te maken heeft. Afwijzen doen zij niet zo vaak. Dit in tegenstelling tot het Haagse Gemeentearchief, die een striktere opvatting hebben over wat te bewaren. Het enige bekende exemplaar van Medium komt uit de nalatenschap van Jaap Meijer, die toen in Heemstede woonde en een groot verzamelaar was. Medium is niet bijzonder vormgegeven, is waarschijnlijk gestencild en er zitten grappige typefouten in (+ in plaats van een -). Een gelegenheidsuitgave lijkt het wel.

WEEMOED
Ik leerde fietsen
van een jongen die Hans heette
en wist te vertellen van
kali’s en krissen
sarongs en baboe’s
en heel geheimzinnig rook
(later pas wist dat dat
van het eten kwam)
hij tekende figuren van krijt
op de straatstenen en
ik aanbad hem
ik zou moeten vragen
hoe het met hem gaat
of hij het nog weet
van dat leren fietsen
maar ik weet niet
waar hij in godsnaam gebleven is
Doeschka ’67”
kali’s en krissen
sarongs en baboe’s
en heel geheimzinnig rook
(later pas wist dat dat
van het eten kwam)
hij tekende figuren van krijt
op de straatstenen en
ik aanbad hem
ik zou moeten vragen
hoe het met hem gaat
of hij het nog weet
van dat leren fietsen
maar ik weet niet
waar hij in godsnaam gebleven is

Met deze teksten en haar activiteiten op school en stad had Doeschka invloed. Schooltoneel was één van haar activiteiten. In het schooljaar 1964/1965, toen zij voor de tweede keer de vierde klas volgde stond ze in twee producties, op haar eigen school en op de Rooms-Katholieke jongensschool, het Triniteitslyceum. Op 8 mei 1965 staat ze in de voorstelling van ‘de ja-zegger en de nee-zegger’ van Bertolt Brecht. In het schoolblad[2] van het Triniteitslyceum Tolle Lege schrijft redacteur Pieter Spierenburg dat de voorstelling niet acceptabel was. Evenwel: “Goed spel zagen we hier van Doeschka Meijsing als verteller”. Drie maanden eerder (drie voorstellingen in de week van 15 februari) was ze gastspeelster op het Triniteits in de klucht Barend Bombarde. De Tolle Lege verslaggever Spierenburg gaf tweemaal (een voor de eerste en een voor de tweede versie) een compliment voor Doeschka: “In de serieuze hoofdrol bracht Doeschka Meijsing (als Christien Gestandt) haar rol voortreffelijk tot een einde. (…) en vooral Doeschka Meijsing deed het uitstekend.” Antoinette van Dijk, Claartje Mooren en Anneke Blom van het Sancta speelden eveneens mee.

Dat Doeschka invloed bezat blijkt niet uit haar eigen beleving van haar middelbare schooltijd. En ook niet uit de herinneringen van haar medeleerlingen, vrienden en vriendinnen. En dat is vreemd, zeer vreemd, getuige bovenvermelde toneel- en voordrachtsactiviteiten. Dat haar leraren haar hoog achten en wel erg ver gingen om met haar om te gaan, is zo duidelijk uit het dagboek en de annotaties, dat de vraag naar haar invloed een eenvoudig antwoord heeft: veel.

De geest van Doeschka leefde nog voort, en de meiden van de generaties na Doeschka kopieerden haar gedrag en acties. Ik kan me goed herinneren hoe de Sanctameiden van mijn examenjaar 1968/1969 Doeschka als voorbeeld zagen. Blijkbaar is dat Doeschka zelf ontgaan. Omdat ze in Amsterdam woonde, studeerde en werkte? We weten wel veel over haar literaire ambities, maar over de rol van de Haarlemse jeugdcultuur, de betekenis van de Haarlemse schoolkranten en literaire bladen en blaadjes is weinig bekend. Die Haarlemse jeugdcultuur! Ik heb altijd gedacht dat dat niet zo bijzonder was, niet zo bijzonder in vergelijking met andere steden als niet-studenten steden Arnhem, Den Haag en Breda. Om maar wat te noemen. Maar ik denk nu dat jonge Haarlemers wel een bijzondere tijd hebben meegemaakt. Haarlem was toen de vijfde stad van het land, nu al lang niet meer. Toen ‘we’ de vijfde plaats aan Eindhoven moesten afstaan was dat eind jaren zestig groot nieuws in de Haarlemse kranten (de tellingen werden bijgehouden).

En nu de laatste twee gedichten van Doeschka.


CLOWN
wankelend in een te grote broek
werpt hij schetterend
handenvol schamel plezier
in de monden
van zijn toeschouwers
onder en boven zijn ogen
is vier maal een zwarte traan
geschminkt
als enig verraad
vier blikken tonen uit zijn trompet
blazen zijn eigen rekwiem
gratis
als hij achterover valt
+ zaagsel stuift hoog op –
hangt er een doodse stilte
als wacht men een geboorte.


SAAJENS FIKSJEN: ZANG DER KOBOLTEN EN BULTENAREN

hic haec hoc
hunc hanc honc
op termen der latijnse grammatica
getekend door littekens absolutis
karbonkelen.
onze etterende bulten
lillend van het lachen
knoeien
pestbrengende moedervlekken
op smensens schoonheid
huius hui huius
eggoot de stem
schrompelende dood
in magazijnen welvaart
en vreten de ratten
(verlokt door de walmende stank)
onze wegstervende lach.
met kettingen verzwaard
gaat ons krijsend geween ten onder
aan het geloei der planten:
staat op gij flora
aan u deze wereld.

 

[1] Wie wilde er geen film maken in die tijd? Geerten zelf met de kompanen van Joyce & Co. De film van de Trinitariërs Roel van der Voort en Caspar Smithuijsen is in 1970 vertoond in de Haarlemse Rozenstraat.
[2] In dat nummer van het Tolle Lege staat tevens een niet eerder bekend artikel van Geerten over het laatste album van Coltrane met als titel ‘A love Supreme’ naar het volgens Geerten belangrijkste nummer van die plaat.