
Andries Sternheim (1890-1944)
Door Henny Buiting
De hier besproken studie is in zekere zin een reprise van de dissertatie door Bertus Mulder uit 1991 over leven en werk van de diamantbewerker en wetenschapper Andries Sternheim. Dat toch voor een hernieuwde studie is gekozen berust volgens de auteur op het sindsdien ontsloten digitale archiefmateriaal; het aanboren van indertijd niet beschikbare literatuurbronnen en het gebruik kunnen maken van dagbladen en tijdschriften via Delpher, de immense digitale verzameling van de Koninklijke Bibliotheek. Ook is dankzij het nieuwe archiefonderzoek een betere reconstructie mogelijk gebleken van de onderduikperiode van Sternheim. Van groot belang is volgens de auteur ook de beschikking geweest over aanvullende informatie betreffende de financiële situatie van het Frankfurter Institut für Sozialforschung (IfS), van grote importantie immers voor Andries Sternheim en familie, omdat de wel degelijk beschikbare geldelijke bronnen een vluchtweg voor de nazistische vervolging mogelijk zouden hebben gemaakt (p. 9-16). Als laatste rechtvaardiging voor zijn hernieuwde studie zet Bertus Mulder de aanval in op een sociaal-democratie die, verlost van haar ideologische veren, de neoliberale triomf van het kapitaal mede mogelijk heeft gemaakt en de arbeidersklasse van zich heeft vervreemd. Het denken van Sternheim staat hier recht tegenover en is exemplarisch voor een maatschappijkritische linkse beweging die zich bevrijd weet van de onderwerping aan de almacht van het kapitaal (p. 16-18).
Ofschoon deze studie vanzelfsprekend biografische elementen bevat, is de opzet ervan toch vooral een ideeëngeschiedenis, waarbij in detail de bijdragen van Sternheim aan het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV), in de periode van 1920 tot 1931, maar toch vooral aan het bovenvermelde Frankfurter Instituut in de erop volgende periode worden gevolgd. Deze achtergrond maakt de studie in veel opzichten tot een intellectuele biografie, met als alles overheersend doel Andries Sternheim te promoveren tot, of wellicht te rehabiliteren als, een volwaardig lid van de Frankfurter Schule. Deze opvatting van het leven van Sternheim, die helder naar voren komt uit de ondertitel van de biografie, dwingt de auteur een benadering te kiezen, die de voornaamste wetenschappelijke geschriften van Sternheim tot vaak in extenso weergeeft. Deze aanpak impliceert ongetwijfeld een zekere onevenwichtigheid vanwege de onderwaardering van het biografische element, toch blijkt ze uiteindelijk dienstbaar aan het ‘hogere doel’ Sternheims wetenschappelijke oeuvre te ontsluiten en zijn afwijkende positie binnen het IfS aan te tonen.
Diamantbewerker en constructief socialist
Hoewel de ondertitel van de studie een exclusieve verhandeling over de plaats van Sternheim binnen de Frankfurter Schule suggereert, blijkt merkwaardigerwijs ongeveer de helft van het boek gewijd aan de periode ervóór. Sternheim wordt erin gevolgd als diamantbewerker, die zich in 1909 aansluit bij de SDAP om in 1920 te worden benoemd tot hoofd van de bibliotheek- en documentatieafdeling van het IVV. Aan de hand van een aaneenschakeling van excerpten uit de vele artikelen van Sternheim, schetst Mulder de ontwikkeling van diens opvattingen over de plaats van de vakbeweging; de relatie tussen politieke en economische democratie; de invloed van de golfbeweging van de kapitalistische economie op de maatschappij en tenslotte van Sternheims beoordeling van de plaats van de jeugdige Sovjet-Unie. Wat dit laatste thema betreft wijst hij de bolsjewistische opvattingen over de Volkenbond als een alliantie van de kapitalistische staten van de hand en meent, in het voetspoor van Karl Kautsky, dat in de Sovjet-Unie de materiële grondslagen voor het socialisme ontbreken. Vooral ook beklemtoont hij, dat ‘’de Russische dictatoriaal-revolutionaire methode’’ een verderfelijke invloed heeft uitgeoefend op de internationale arbeidersbeweging (p. 113-141). Ondanks referenties van Sternheim aan het marxisme, blijkt hij in wezen toch vooral een reformistische socialist. Dit komt vooral naar voren in zijn introductie van het concept van het ‘constructieve socialisme’, dat een hervormingspolitiek voorstaat die, ‘’zonder al te heftige botsingen’’ geleidelijk het socialisme wil vestigen. Het blijkt ook uit zijn verdediging van het revisionisme van Eduard Bernstein met diens nadruk op de directe lotsverbetering van de arbeidersklasse ‘’tegenover de hoogverheven politieke idealen van de paternalistische en moralistische marxistische intellectuelen van voor de oorlog’’ (99-101). Tenslotte kan gewezen worden op zijn vaste overtuiging, dat de politieke democratie de onontbeerlijke voorwaarde is voor sociaal-democratische partij en vakbeweging (p. 112).
Het is Sternheims beklemtoning van wat men de culturele bovenbouw van het kapitalisme kan noemen, die zijn interesse wekt in de relatie tussen arbeid en vrije tijd en van de veranderende positie van het gezin, een thematiek die van cruciaal belang blijkt voor zijn latere betrokkenheid op het Frankfurter Instituut. In 1931 wordt hij benoemd tot hoofd van de neven- vestiging te Genève van het voornoemde Institut für Sozialforschung, dat onder leiding staat van de sociaal-filosoof Max Horkheimer. Sternheim verhuist met zijn gezin naar Genève, waar hij komt verkeren in een milieu van linkse academici van gegoede Joodse komaf. Hun denken wordt bepaald door de vraag waarom de verhoopte communistische omwenteling in Duitsland is mislukt. Dit leidt bij hen aanvankelijk tot het onderzoeken van de cruciale kwestie waarom de arbeidersklasse geen revolutionaire gezindheid vertoont, om zich vervolgens te concentreren op de vervreemdingsprocessen onder het kapitalisme en van de hiermee verbonden vraagstukken van sociaal-psychologische en psycho-analytische aard (p. 188-193). Sternheim sluit hier in veel opzichten bij aan, omdat hij ‘’als marxistische cultuursocialist evenzeer belangstelling heeft voor de betekenis van cultuur en psychologie in het naoorlogse socialisme’’ (p. 194). Toch wijkt hij fundamenteel af van de overige leden van het Instituut, wegens zijn afkomst uit de arbeidersklasse en zijn actieve betrokkenheid op de positie van de arbeidersbeweging. Dit principiële onderscheid bepaalt in hoge mate de afwijkende positie, die Sternheim gaat innemen binnen het IfS en die tot botsingen leidt met in het bijzonder Theodor Adorno.
Bijdrage aan de Frankfurter Schule
Bertus Mulder concentreert zich in zijn resterende verhandeling betreffende de plaats van Sternheim binnen het IfS op twee centrale vragen. Allereerst welke diens wetenschappelijke bijdrage is geweest aan het Instituut en vervolgens of de financiële perikelen ervan zodanig ernstig waren, dat Sternheim wel getroffen móest worden door bezuinigingen. Wat betreft Sternheims wetenschappelijke merites wijst Mulder op diens onderzoek naar de veranderende positie van het gezin. Anders dan de benadering van denkers als Erich Fromm, Horkheimer en Herbert Marcuse verwerpt Sternheim de these, dat het gezin met de vigerende autoritaire en patriarchale opvoedingspatronen een voorname agens zou zijn van handhaving der kapitalistische verhoudingen én van de opkomst van fascisme en nationaal-socialisme. Zowel het burgerlijke als het arbeidersgezin ondergaat volgens Sternheim een afnemende autoriteit van de ouders, wat de mogelijkheid inhoudt tot het ontstaan van meer democratische gezinsrelaties en van de opvoeding van de kinderen tot ‘’zelfstandige, sociaal ingestelde individuen’’ en daarmee tot het ontstaan van tegentendenties tegenover totalitaire ontwikkelingen. Er bestaat voor Sternheim daarom geen onvermijdelijk verband tussen het hoogontwikkelde monopolistische kapitalisme en het ontstaan van de nationaal-socialistische dictatuur (p. 247-252). Waar denkers als Horkheimer en Marcuse een kritische theorie ontwikkelen, die de arbeidersklasse niet langer ziet als factor van fundamentele maatschappelijke verandering, stelt Sternheim concreet empirisch onderzoek centraal naar de situatie van de arbeider als startpunt van zijn verdere emancipatie. Dit principiële onderscheid speelt ook een voorname rol bij de beoordeling van functie en gebruik van de vrije tijd. Ziet de zogezegde ‘kritische theorie’ geen wezenlijk verschil tussen democratische en totalitaire regimes, Sternheim neemt daarentegen een scherp onderscheid waar in politieke cultuur en daarmee ook in de wijze waarop de vrije tijd wordt beleefd. Waar in de totalitaire staat de vrije tijd ten dienste staat van de zogenaamde nationale zaak met ontkenning van sociale tegenstellingen en bezitsverhoudingen en het opleggen van militaire voorschriften, zien we in democratische bestuurde naties dat arbeiders hun leven naar eigen inzicht vorm kunnen geven met een concentratie op zelfstandig denken (p. 291-300).

Andries Sternheim in zijn Geneefse jaren
De afwijkende opvattingen van Sternheim stuiten op kritiek van de zijde van de rijzende ster Theodor Adorno, die van mening blijkt dat Sternheims wetenschappelijke bijdragen ver onder de maat zijn. Dit oordeel wordt vervolgens overgenomen door Max Horkheimer, die stelt dat Sternheim niet als wetenschappelijk vertegenwoordiger van het Instituut zou mogen worden gezien (p. 309-310). Dit oordeel houdt volgens Bertus Mulder een deloyale, in wezen verraderlijke, koerswijziging van Horkheimer in die alles te maken zou hebben met het plan van de ijdele en over-ambiteuze Adorno om samen met Horkheimer een studie te produceren over dialectiek. Beide heren zouden vervolgens naar wegen hebben gezocht om Sternheim zo niet zonder meer te lozen dan wel in ieder geval te degraderen. Om dit te realiseren zouden ze financiële problemen van het IfS als voorwendsel hebben gebruikt. Mulders onderzoek, de voornaamste rechtvaardiging voor zijn hernieuwde studie over Sternheim, toont hier overtuigend aan dat Horkheimer c.s. ‘absolute voorrang [gaan] verlenen aan hun eigen onbezorgde bestaan, terwijl het Institut aan een bezuinigingspolitiek wordt onderworpen die haaks staat op de levensstijl van de leiders van de organisatie’ (p. 313). In minder platonische termen betekent dit, dat de almachtige leiders van het IfS in weelde leven, om tezelfdertijd Sternheim te degraderen en te beknotten. In 1938 moet de arme Sternheim vernemen, dat zijn standplaats in Genève komt te vervallen en dat hij tegen een sterk verminderd inkomen naar Amsterdam mag vertrekken wat hem verplicht op zoek te gaan naar een nevenbetrekking. Naderhand, onder Duitse bezetting notabene, halveert het IfS nog eens de toch al minimale inkomsten van Sternheim.
Gaat het IfS al op buitengewoon onheuse wijze om met de financiële positie van Sternheim, veel kwalijker nog is de reactie op diens noodkreet uit januari 1939 Europa te willen verlaten. Als Jood voelen hij, zijn vrouw en beide zonen zich in hun existentie bedreigd door het oprukkende nazisme. Horkheimer zwijgt echter in alle talen en voelt er kennelijk niets voor de wel degelijk beschikbare financiële bronnen van het Instituut aan te boren om Sternheim en gezin een vluchtweg naar Amerika aan te bieden. Wat volgt is het dramatische verslag van de laatste wetenschappelijke studies van Sternheim, gevolgd door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. In mei 1943 duikt Sternheim met vrouw onder, nadat hun beide zoons al elders zijn ondergebracht. Tot hun ontreddering moeten ze op hun onderduikadres nog vernemen, dat eerst Leonard en vervolgens ook de oudste zoon Paul wordt opgepakt. In zijn dagboek schrijft Andries Sternheim dan over Paul, 17 jaar oud: ‘’Gegroet, beste vriend, onze zoon en kameraad’’. Beide zoons zullen door de nazi’s worden vermoord. Hun ouders worden door verraad ontdekt en op 12 januari 1944 naar Westerbork afgevoerd. Op 3 maart 1944 volgt het transport naar Auschwitz, waar Andries Sternheim en vrouw drie dagen later worden vergast.
Sternheims wetenschappelijke merites
In de hier besproken hernieuwde studie over Andries Sternheim toont Bertus Mulder, zoals gezegd, overtuigend aan, dat er geen sprake is geweest van zodanige financiële problemen van het Institut für Sozialforschung, dat Sternheim zowel in zijn broodwinning als lijfelijk geslachtofferd had mogen worden. Het lijkt wel vast te staan, dat diens behandeling van doen heeft met fundamentele meningsverschillen over de plaats van het gezin en van arbeidersklasse en arbeidersbeweging binnen het kapitalisme. Sternheims kritiek op een ‘kritische theorie’, die de arbeidersklasse als factor van verzet negeert en slechts oog heeft voor problemen van vervreemding en van theoretische en filosofische overwegingen, lijkt hem uiteindelijk fataal te zijn geworden. Men mag in dit verband aannemen, dat Horkheimer, Adorno en andere epigonen van het IfS de dodelijke consequenties van hun beslissing Andries Sternheim geen vluchtweg te bieden niet voorzien hebben. Toch blijft het buitengewoon bevreemdend dat deze door het marxisme gevormde Joodse tegenstanders van het nazisme, hun Hollandse medewerker van het Instituut met zoveel dédain aan zijn lot hebben overgelaten. Afwijkende theoretische inzichten en het voorrang geven aan een gerieflijk bestaan in het veilige Amerika bieden een mogelijke verklaring, al speelt waarschijnlijk ook desinteresse in een bescheiden mens in het verre Holland een voorname rol. Vooral evenwel lijkt sprake van een ernstige onderschatting van het racisme van de nazi’s, waarbij de mogelijkheid van een beestachtige genocide het bevattingsvermogen te boven lijkt te zijn gegaan.
Uit de studie van Bertus Mulder kan worden geconcludeerd, dat Sternheims perifere positie in Genève en de hiermee gepaard gaande verstrooiing van zijn historisch-sociologische studies over talrijke tijdschriften en boeken, verklaarbaar maken dat hij een vergeten telg van de Frankfurter Schule heeft kunnen worden. Daarnaast is ook de weerstand van de arrogante en van eigen superioriteit overtuigde groep rond Theodor Adorno zonder twijfel medeverantwoordelijk voor de negatie van de wetenschappelijke verdiensten van Sternheim. Het is een niet te onderschatten verdienste van Bertus Mulder geweest het vrijwel onbekende wetenschappelijke werk van Andries Sternheim na uitgebreid onderzoek te hebben kunnen reconstrueren. Dat dit een ware vloedgolf aan citaten en excerpten uit Sternheims vele verspreide studies heeft gevergd, is daarbij niet slechts bittere noodzaak, maar maakt de studie tevens tot een schatkamer van kennis omtrent de ontwikkelingen van het vooroorlogse kapitalisme en van de toenmalige sociale verhoudingen.
Bertus Mulder, Andries Sternheim (1890-1944) Vergeten binnen de Frankfurter Schule. Gorredijk 2025.
Recente reacties