+31203417896 buschges@bart.nl

Eigenlijk heb ik een hekel aan het woord gender. Zo ook aan die andere anglicismen die het Nederlands binnendringen. Maar laten we het over de betekenis van sexe en geslacht hebben. In mijn favoriete blad Skepter van deze zomer, dat met een zeer kritische blik kijkt naar recente ontwikkelingen van wetenschap en pseudowetenschap, heeft Asha ten Broeke het boek The gendered brain: the new neuroscience that shutters the myth of the female brain van Gina Rippon besproken. Dat is een zeer onkritisch verhaal, onwaardig om in Skepter te staan, vind ik. De stelling van Rippon is dat er geen structureel verschil is tussen mannelijke en vrouwelijke breinen. Aan de hand van de laatste onderzoeken stelt zij dat de hersenen zo flexibel (plastisch) zijn dat zij elk signaal van buiten opvangen en daar op reageren. Met andere woorden kleine jongens krijgen jongensachtige stimulansen binnen en worden zo tot mannen gemaakt. Pas na de puberteit ontstaat er door de sex-hormonen een klein verschil in bijvoorbeeld in de hersenschors.

Deze conclusie is natuurlijk voor de feministe Ten Broeke het bewijs dat de geslachtsverschillen cultureel bepaald zijn. Zij had natuurlijk verder en vooral kritischer moeten kijken. Zo is bijvoorbeeld in een artikel op de website Transgender Trends naar aanleiding van het boek van Rippon gekeken naar de breinen van transgenders. Die blijken ook geen verschillen te hebben met de biologische noch met de gewenste sexe. Op basis van vele hersenonderzoeken concludeert Stephanie Davies-Arai in bovenvermeld artikel: “Although we often hear that transgender people are trapped in the wrong body this is a myth and not based on any credible scientific evidence”. Ik zou niet zo snel zeggen dat iets een mythe is. Immers de getuigenissen van aanstaande transgenders zijn wel heel overtuigend. Dat dat idee van een verkeerd lichaam niet wetenschappelijk aangetoond kan worden zou misschien te maken kunnen hebben dat we nog niet de goede meetinstrumenten bezitten.

In het artikel van Ten Broeke komen dit soort vragen niet ter sprake. Zij haalt alleen maar haar gelijk. Hoewel? Op het einde haalt zij Rippon aan die schrijft dat zowel de natuur als de opvoeding een rol spelen en dat de voortdurende wisselwerking van belang is. Hoe kritiekloos opgeschreven. Want dat cliché haalt nu juist weer de centrale stelling van het boek onderuit. Zou het niet zo zijn dat ervaringen ontvankelijk zijn voor het brein omdat die ervaringen passen in de structuur van dat brein. Ongeveer zoals we een taal leren. Niet omdat het brein een programma heeft voor Nederlands, maar wel een algemeen taalvermogen bezit dat door de omgeving zich tot Nederlands ontwikkelt. Of zoals de bioloog Jacques Monod in 1970 beschrijft: “Als het gedrag impliceert dat er gedragingen bestaan verworven door ervaring, dan zijn die verkregen door een programma dat zelf aangeboren is.” (Toeval en onvermijdelijkheid, p. 143.).

Kortom: een misplaatst onkritisch verhaal in een kritisch tijdschrift.