+31203417896 buschges@bart.nl

Willem Witsen, Floor Wibaut en Pieter Wiedijk op de abonneelijst

Atypische abonnee: Teun Ottolander

Het scheelde weinig of Henri van Kol was de uitgever en hoofdredacteur van het revolutionaire maandschrift De Nieuwe Tijd geworden. De Nieuwe Tijd bestond van 1896 tot en met 1921 en fungeerde vanaf 1900 als het brandpunt van links-marxistisch Nederland. Het begin was moeilijk, het aantal abonnees steeg langzaam, de betaling voor bijdrages en redactie waren te hoog ingeschat. Daar bovenop bleek ineens dat de uitgever Hessel Poutsma zo goed als failliet was. Poutsma vertrok naar Zuid-Afrika mede vanwege andere schandalen.

In de zomer van 1896 maakte Van Kol plannen om de exploitatie over te nemen, zijn partijgenoot Schaper zou de administrateur worden. Van Kol becijferde dat in het eerste kwartaal het bestaan van het tijdschrift in 1896 een verlies had geleden van 290 gulden: 300 abonnees brachten 240 gulden binnen, terwijl de druk- en redactiekosten 530 gulden waren. De administratie was volgens Van Kol onpraktisch; hij vond dat het Partijbestuur van de SDAP De Nieuwe Tijd moest beheren. Alles leek gereed voor de overname: de brieven voor huidige en toekomstige bijdragen leverende schrijvers waren al verzonden. Frank van der Goes, tot dan hoofdredacteur, moest genoegen nemen met de rubrieken ‘De Maand’ en ‘Kunst’ en ‘Boekbeoordelingen’. Schaper was ‘Arbeidswetgeving’ en ‘Maatschappelijke hervormingen’ toebedeeld. Op het laatste moment ging het niet door en Jan Fortuyn werd de nieuwe uitgever. Een jaar later traden Henriette Roland Holst en Herman Gorter aan als redacteuren en kon de opmars van het marxisme beginnen.

Uniek in de geschiedenis van het tijdschrift is een lijst van abonnees van 31 december 1898. Het is dan twee jaar na de mislukte overname van Van Kol. Op deze lijst staan 329 namen. Meest opvallende zijn het ontbreken van de naam Gorter en het Amsterdamse aandeel van de lijst: 125 van de 329, 37%. De zuinige opsteller van de lijst, was het Gorter?, schreef bij de Amsterdamse adressen geen plaatsnaam. De invloed van de redactie Gorter/Roland Holst met betrekking op het abonneebestand is groot. Van de Tachtigers waren de kernleden Willem Witsen, Albert Verweij en Frederik van Eeden abonnee voor de jaargang 1898. De etser, de dichter en de literator; het klinkt vreemd in de oren dat zij de behoorlijk marxistische inhoud wilden lezen, laat staan een abonnement nemen. Maar dat is vanuit de latere inhoud bekeken. Vooral de begintijd kenmerkte zich door heterogeniteit van de bijdrages. Zo schreef Van Kol feitelijke en weinig analyserende artikelen over de bijdrages van vrouwen aan de Franse Revolutie.

Naast de drie genoemden hadden de schilders Jan Veth, Jacq. van Looy, Herman Heijenbrock, de literatoren Frans Coenen jr, André Jolles en Anna Kaulbach en de architect Berlage en criminoloog (in 1898 nog student) Willem Bonger een abonnement. Allen zullen nog een rol spelen in de Nederlandse samenleving op verschillend, maar niet of nauwelijks op socialistisch gebied. Het lijkt er meer op dat door het enthousiasme van de redactieleden Roland Holst en Gorter de bovengenoemde kunstzinnigen abonnee zijn geworden. Omdat er geen andere abonneelijsten bewaard zijn gebleven weten we ook niet of en zo ja, hoelang deze mensen abonnee zijn gebleven. Het is  waarschijnlijk of mogelijk dat Willem Bonger, Herman Heijenbrock en Anna Kaulbach hun abonnement verlengd hebben. Willem Bonger was al jong lid van de SDAP, schreef artikelen in veel bladen, onder andere in De Nieuwe Tijd en was in 1916 oprichter en redacteur van De Socialistische Gids, dat tegen De Nieuwe Tijd gericht was. Herman Heijenbrock, de schilder van de industriële opkomst in Nederland, had het niet zo op de SDAP. Zijn werken ademen meer anarchistisch angehauchte kunstvormen uit. Schrijfster Anna Kaulbach was samen met haar man Willem van Gogh al vrij snel na de oprichting van de SDAP lid geworden. Zij schreef ‘tendensliteratuur’ volgens letterkundige critici. Haar man was secretaris van de Koloniale Commissie ter voorbereiding van het sociaaldemokratisch (anti-) koloniaal program van de SDAP.

Jan Veth, Jacq. van Looy, Frans Coenen jr, en André Jolles haakten waarschijnlijk al snel af. Interessant zijn nog de volgende namen: Prof. J.H. Gunning en de gebroeders Israël en Emanuel Querido. Beide Querido’s zijn bekend vanwege hun literaire daden. Emanuel was een uitgever en Israël was journalist. Emanuel heeft onder pseudoniem Joost Mendes een tiendelige serie over de opkomst van het socialisme geschreven: Het Geslacht der Santeljano’s. Daarin komen Gorter en Van Kol voor, Van Kol als een persoon die ‘de rijzige breedgeschouderdheid, de pootige robuustheid, de gulle geste had van een held.’ En Gorter introduceerde hij alsvolgt: ‘‘Het was de koene, roekeloos weinig beveiligde rode dichter met den frissen blanken tandenmond en het rijzig-ranke lichaam, die toen het eerst en het felst en in een enkel recht voor zich uitziende schone onbesuisdheid naarvoren kwam gestormd; hij, die voor kort nog pas ieder geestelijk contact met de bourgeoisie had afgesneden door haar in heroïeke verloochening met zijn door haar zo kwijlend beadoreerden verzenbundel ongenadig om de oren te slaan. En te staan was hij daar nu ineens gekomen, fier maar breekbaar, onverzettelijk maar naïef, tegenover den machtigen agitator met de schuine slimme ogen in den scherpen loerenden sarcasme-kop, den hoekigen, fel-zwependen leider uit het strakke stroeve noorderland’. In de machtige agitator herkennen we Pieter Jelles Troelstra. Emanuel Querido schreef deze passages in de jaren twintig, dertig jaar eerder kon hij al genieten van de harde uiteenzettingen in De Nieuwe Tijd.

Professor Gunning is waarschijnlijk J.H. Gunning, sociaal pedagoog woonachtig in Keppel, werkzaam te Zwolle en later betrokken bij de scholen voor sociale arbeid en het Toynbee-werk in Amsterdam. Hoe hij abonnee geworden is, blijft gissen. Wellicht via familie of kennissen. Van anderen is het geheel duidelijk dat zij via familie vrijwillig-verplicht hun geldelijke bijdrage aan het tijdschrift hebben geleverd. Het betreft familie van Henriette en Rik Roland Holst: mevrouw Cornelia Matthijssen-Roland Holst in Helmond, getrouwd met Cornelis Matthijsen en mevrouw Roland Holst te Amersfoort. Een lid van de Cnoop Koopmansen was zelfs via twee lijnen, Gorter en Franc van der Goes familiair betrokken. Bram (A.J.) Cnoop Koopmans was een broer van Wies Gorter en neef van de vrouw van Van der Goes.

Wel via-via aangetrokken, maar geen familie was Teun Ottolander. Ottolander was een aanhanger van Abraham Kuyper, protestant en planter in den Oost. Hij publiceerde over het geloof en was een kenner van flora van Nederlands-Indië. Hij woonde en werkte in Sitoebondo, Oost-Java. Op de vraag hoe hij abonnee is geworden, is het antwoord eenvoudig. Ottolander was directeur van de plantage Kajoemaas op Java, de plantage van Henri van Kol. Ottolanders vader en broer en diens vrouw werkten eveneens op Kajoemaas. Of en hoe de inhoud van De Nieuwe Tijd bij de Ottolanders bevallen zijn, spreken de documenten zich niet uit. Van de koloniale abonnees is Teun Ottolander de enige bekende. Drie andere abonnees woonden in Weltevreden, Makassar en Atjeh. Buiten Nederland werd De Nieuwe Tijd verspreid in Brooklyn, New York, Pretoria, Kopenhagen, Singapore en Clausthal. Voor een jong tijdschrift een respectabel aantal.

Na 1898 was De Nieuwe Tijd discussieplatform voor leden van alle geledingen in de SDAP. Zo’n platform is in lijn met het algehele beleid van de sociaaldemocraten. Was het gegaan met Van Kol aan het hoofd, dan zouden ook artikelen verschenen zijn van buiten de SDAP, zoals hij zelf in periodieken als De Groene Amsterdammer (1910 en 1923), De Telegraaf (1912), De Controleur (1894) en De Locomotief (vele jaargangen) belangrijke stukken publiceerde. De ondertitel van de monografie over De Nieuwe Tijd van Henny Buiting zou dan niet ‘spiegel van socialisme en vroeg communisme’ zijn maar ‘spiegel van vooruitstrevend Nederland’.