Een merkwaardiger titel heb ik sinds lang niet gezien. We weten het, objectiviteit is een eenvoudig begrip maar niet gemakkelijk toe te passen. We hebben allemaal onze oordelen en vooroordelen, klassebeperkingen, taalbeperkingen en cultuurveronderstellingen. Maar we streven wel naar objectitiviteit, naar door iedereen gedeelde waarheden. Althans dat dacht ik. In het belangrijke kwartaalblad Low Countries Historical Review van vorig jaar schrijven Frank Gerits en Gillian Mathijs dat er een ‘mythe van de objectiviteit’ bestaat. In hun artikel, waarover later meer, komt de zinsnede voor: ‘de contraproductieve zoektocht naar objectiviteit’. Dus niet zoeken naar de waarheid!? Laat ik nu denken dat wetenschap de zoektocht naar waarheid op een objectieve wijze was, is en zal zijn. De twee historici denken daar anders over. Hoe kwamen zij tot deze opvatting?
Laat me de context van hun artikel vertellen. Het heeft een lange aanloop. In 2022 promoveerde Hans van der Jagt op een biografie van A.W.F. Idenburg met de titel Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme. Idenburg was lange tijd (van 1902 tot en met 1930) een belangrijke speler of machthebber in het koloniale Nederland. Driemaal Minister van Koloniën, Gouverneur-Generaal van Suriname en van Nederlands-Indië. Dat laatste van 1909 tot en met maart 1916. De recensies van het proefschrift waren welwillend positief. Ook de ironiserende titel van het boek viel bij de meeste recensenten goed. Van der Jagt had ´engelen´ bedoeld als commentaar op het zelfbeeld van de Europeanen die hun beschaving(sidee) naar de bewoners van Indië brachten.
Op een onderdeel wil ik wat dieper ingaan op de analyse van Van der Jagt: zijn beschrijving van de verbanning van de drie oprichters van de in 1912 opgerichte Indische Partij. De oprichters waren Soewardi Soerjaningrat, Tjipto Mangoenkoesoemo en Ernest Douwes Dekker. Idenburg weigerde koninklijke goedkeuring van de Partij, omdat zij als staatkundige partij de onafhankelijkheid van Indië nastreefde. En vooral omdat het in het RegeringsReglement van Nederlands Indië, opgesteld door de Nederlandse overheid, verboden was. Ook toen de oprichters hun doelstelling aanpasten vond Idenburg dat de bepalingen wel veranderd waren, maar de geest van opstand niet. En het bestaan van de partij was tegen het algemeen belang. Vandaar de verbanning naar Nederland. Er is alle redenen om hier meer bij stil te staan dan Van der Jagt doet. Hij ziet het optreden van Idenburg als ´behoedzaam´. De meerderheid van de pers en politiek was het eens met Idenburg met uitzondering van de socialisten (SDAP). Die ontvingen de drie Javanen demonstratief en met alle egards in Den Haag. Ik zou het optreden van Idenburg hier in eerste instantie wel als behoedzaam beschouwen, maar in tweede instantie niet. Want de objectieve redenen voor een verbod waren verdwenen. Een goedkeuring zou onafwendbaar dienen te zijn, maar de negatieve en persoonlijke mening van Idenburg over de drie gaf de doorslag. Van der Jagt had hier kritischer moeten zijn.
De mening van medesocioloog Jan Breman over de dissertatie van Van der Jagt was eveneens kritisch om het vriendelijk uit te drukken. In zijn artikel ‘Ethische politiek verbeeld als de christelijke beschavingsmissie. Alexander Willem Frederik Idenburg, een Nederlandse koloniaal met goede bedoelingen?’ in BMGN Low Countries Historical Review uit 2023, (p. 63 – 92) stelt hij dat Van der Jagt het beleid van Idenburg veel te rooskleuroig voorstelt. Daarnaast miskent Van der Jagt de aanzwellende Indonesische vrijheidsdrang, waarbij de ‘bestuurlijke onwil’ om aan democratische verlangens van de bevolking toe te geven buiten schot blijft. Aan het verlangen de samenleving naar eigen beheer in te richten door omzetting van het koloniale gouvernement in een nationale staat is daardoor bijna volledig buiten beeld gebleven. En ook Idenburg ontkwam niet aan ‘een snoeihard en grootschalig kapitalisme’. Dit alles volgens Breman. Hoewel ik met Breman eens ben dat de ethische politiek vooral veel woorden, brochures en programma’s in Nederland omvatte en weinig daden in Nederlands-Indië, is het ook zo dat een vergelijking van Java rond 1911 en 1876 (Van Kol op bezoek en voor het eerst aan het werk als ingenieur) hemelsbreed is en positief uitvalt, zowel sociaal-economisch als de nationale opkomst van sociale bewegingen. En dat ondanks het vele kapitaal dat de archipel verliet richting Europa. Richard Price stelde in een artikel uit 2022 de veelvormigheid van verschijnselen op de voorgrond: “The conjuncture of liberal values and ideology, and empire did not simply justify empire: it also shaped the formation of anticolonial politics within Britain and, most importantly, amongst Indigenous groups in the empire.” Breman heeft in zijn boek Koelies, Planters en Koloniale Politiek uit 1987 betoogd dat geweld en racisme een onlosmakelijk onderdeel van het (Nederlandse) imperialisme vormden. Dat de bewoners van de archipel daardoor langzaam opgenomen werden in de mondiale moderne maatschappij met al zijn voordelen is voor Breman van minder belang. Zijn critici op dit boek beschuldigden Breman van vooringenomenheid en een antikoloniaal vooroordeel. Niets is minder waar, maar als mede-socioloog verbaasde het me dat een definitie van racisme (bijvoorbeeld: ‘Racisme is een overtuiging dat er meerdere rassen zijn en dat het ene ras superieur aan de ander zou zijn’), ontbrak.
Van der Jagt benadrukt in zijn weerwoord vooral de complexiteit van de koloniale geschiedenis en ook van persoonlijkheden als Idenburg. Negatieve zaken als ‘aanhoudende militaire operaties’ zijn onderwerp van zijn studie. Maar Van der Jagt vergist zich als hij schrijft: “Sterker nog, de hele opzet van mijn studie is – en dit heeft Breman, denk ik, gemist – om het dubbelzinnige karakter van de zogenaamde koloniale ethiek duidelijk te maken.” Ik denk niet dat Breman dat gemist heeft. De opzet van de biografie van Idenburg is transparant, maar Breman heeft er geen of te weinig aandacht voor. Het lijkt er af en toe op dat Breman Van der Jagt verwijt dat de toon van de dissertatie niet die van een aanklacht is. De verzuchting van Van der Jagt dat hij op vele plekken laat zien dat “het Nederlands imperialisme feitelijk ook een gewelddadige kapitalistische politiek was, zoals Breman terecht vaststelt” is onmiskenbaar waar. Maar niet aan Breman besteed. Ik vind de biografie van Idenburg soms te zoetsappig en zoals in het voorgaande geschreven met voorbeeld te weinig doorvragend. Het weerwoord van Van der Jagt uit 2023 verduidelijkt veel en geeft een goed inzicht in zijn werkwijze.
Bijna twee jaar later ontvingen we een nacalculatie. In vervolg op Bremans kritiek en het weerwoord van Van der Jagt halen Frank Gerits en Gillian Mathys onder de titel ‘Laat die gevallen engelen maar liggen’ flink uit naar het werk van Van der Jagt. Zij vallen niet alleen het resultaat (de biografie), maar ook zijn methode (die zij balansbenadering noemen) en van bedoelingen achter zijn opvattingen. Van het laatste is de volgende zin een karakteristiek voorbeeld: “De balansbenadering blijft, misschien wel daardoor, aantrekkingskracht uitoefenen op het publieke debat omdat het een handige manier is om discussies over herstelbetalingen uit de weg te gaan en het thema van nationale identiteit naar voor te brengen.” ik vind deze wijze van argumenteren meer een ‘handige’ of oneigenlijke manier van discussieren. Immers Gerits en Mathys vallen Van der Jagt aan op een ‘bedoeling’. Zij weten niet hoe Van der Jagt denkt over herstelbetalingen en nationale identiteit, want die komen in zijn boek niet aan de orde. In hun betoog zijn Gerits en Mathys zeer kritisch. Ik noteerde de volgende kwalificaties: ‘eng-biografisch’, ‘anachronisme’, ‘teleologische visies’, ‘doing history backwards’ ‘kant noch wal’ en ‘problematisch’. En dat in één alinea. Vooral het buzz-woord ‘problematisch’ valt op. Het is de jeugdtaal van heden met een nieuwe betekenis: onverantwoord.
Het meest verontrustend in hun artikel – en dan zijn we eindelijk bij ons onderwerp – is de titel van een van de paragrafen wat Gerits en Mathys het ‘vierde probleem’ van de dissertatie van Van der Jagt noemen: de ‘mythe van de objectiviteit’. Het streven naar ‘objectiviteit’ lijkt mij geen mythe. Het is streven naar zuiverheid, eensgezindheid en waarheid. Het is de essentie van wetenschap. Een voorbeeld van zo’n zoektocht in de negentiende eeuw, was die naar het wezen van lichtstralen, die in een golf bewogen door het universum. Maar waarin? Natuurkundigen postuleerden een substantie, de ether, waarin de lichtgolven bewogen zoals golven in het water. De Michelson-Morley-experimenten uit 1887 leverden het bewijs dat er geen ether bestond en maakten uiteindelijk de weg vrij voor de relativiteitstheoriën van Einstein uit het begin van de twintigste eeuw. Ook in de sociologie van rond 1900 zijn de toenmalige theoriën op hun objectieve waarde getoetst. En dat was ook wel nodig gezien de vele vooroordelen (racisme, Eurocentrisme) die er aan kleefden. Verder diskussieren, hypothesen tegen het licht houden, vooronderstellingen helder maken. Gerits en Mathys hebben daar blijkbaar twijfels over gezien de zinsnede ‘de contraproductieve zoektocht naar objectiviteit’. Dat doet afbreuk aan hun kritiek. Immers als zij schrijven dat er geen objectiviteit bestaat is de vraag gewettigd hoe vergelijkingen van en keuzes voor theoriën en analyses gemaakt worden. Niet op basis van objectiviteit blijkbaar. Gerits en Mathys lijken te zeggen dat hun ‘New Imperial History’ verre te verkiezen is boven andere benaderingen. Maar op basis van welke criteria die nieuwe geschiedschrijving verkozen dient te worden boven de aan Van der Jagt toegeschreven balansbenadering is mij niet geheel duidelijk.
Die ontkenning van het belang van objectiviteit lijkt te maken hebben met de Franse filosofie van de jaren tachtig, waarbij de slogan ‘objectiviteit is subjectiviteit met macht’ gold. De dodelijke vraag die je daarna kan stellen: is dat een een subjectieve of objectieve mededeling. In het tweede geval spreek je jezelf tegen, in het eerste geval hoeft de ander geen rekening met je subjectieve mening te houden. Ik volg hier Steven Pinker die in zijn boek Enlightenment Now. The case for reason, science humanism and progress uit 2018 uitgebreid ingaat op de onlogica van het postmodernisme, zie zijn hoofdstuk 21 Reason. Er is geen directe link naar dit hoofdstuk, wel een artikel van Pinker een jaar na de publikatie, zie deze doorverwijzing.
Blijft over waarom Gerits en Mathys zo hard uitvallen naar Van der Jagt. Aangezien zij vinden dat (de zoektocht naar) objectiviteit in feite niet bestaat, is elk verhaal even geloofwaardig. Zij geven geen reden aan waarom het beter is in hun geschiedschrijving kolonisatoren samen met onderdrukten (worden) te bestuderen en het accent te leggen op de “manier waarop antikoloniale activisten in staat waren om het imperiale project en het internationale systeem te ondermijnen.” Om een goed inzicht te verkrijgen in het ‘imperialisme’ van bijvoorbeeld Nederland in Nederlands-Indië is het nodig om naast de antikoloniale activisten de ideeën van de verschillende Gouverneur-Generaals als Van Heutsz en Idenburg eveneens te onderzoeken en niet a priori de ‘antikoloniale activisten’ de volle aandacht te geven. Misschien is het goed toch nog even op te merken dat die antikoloniale activisten het imperiale project (weer zo’n buzzwoord) nog steeds niet ondermijnd of vervangen hebben; een natiestaat heeft Indonesië inmiddels al wel.
Ik denk dat zij hun eigen New Imperial History de hemel inprijzen door concurrerende methoden hard af te vallen, harder dan in de wetenschap nodig is. Dan kan je gewoon schrijven dat iets niet klopt en heb je geen schimpwoorden nodig.
Recente reacties