
Lachen om communisme
Toen Jolande Withuis op de presentatie van de biografie van mederedactielid Arno Bornebroek over de man met de bewust gewilde dubbele naam (Teengs Gerritsen) een onverwacht scherpe uitval deed naar haar voormalige partijgenoot Joop Wolff schoot ik in de lach. Immers: ik ken van die Wolff maar één ding en dat is een grap. Wolff zit in de trein in de eerste klasse op weg van Amsterdam naar Den Haag. Onderweg tussen Haarlem en Leiden komt er een partijgenoot langs, ziet hem zitten en zegt waarom zit jij niet in de tweede klas, zoals alle kameraden. Niets is goed genoeg voor de arbeidende klasse, zegt Wolff dan. Zo'n grap heeft een groot recycling gehalte, want vrijwel letterlijk bestaan ze ook over Lenin, Stalin, Brenzjnev en waarschijnlijk vele nationale communistische helden elders in de wereld.
Een typische communistische grap, waarvan er honderden langskomen in het boek van Ben Lewis Hammer and Tickle uit 2008. Het leest als een herkenning uit de jaren zeventig, toen in de studentenkringen ook veel van dit soort grappen langskwamen, zoals die ik van een vergeten medestudent hoorde: "Er is een Koekoeks-Lenin prijsvraag uitgeschreven. Er waren vele inzendingen. De jury was verdeeld over de tweede en derde prijs. De derde prijs is een koekoeksklok met een koekoek die op het hele uur uit zijn hok kwam en riep 'Lenin, Lenin!!'. De tweede prijs dezelfde klok. maar dan met de uitroep 'Lenin leeft, Lenin leeft!' Maar voor de eerste prijs was de jury eenstemmig en heel positief: uit de klok kwam een Lenin-figuurtje die 'koekoek, koekoek' riep."
Wat maakt die grappen nou zo leuk. Als student maakten we allemaal mooie sier met linkse, marxistische wetenschap, maar de communistische praktijk vonden we maar niets. En zeker niet die Nederlandse variant van die communisten, de CPN, waar Jolande Withuis een tijd lid van was. Die waren toch wel een beetje te serieus. En zij konden deze grap niet waarderen. Geen enkele kritische grap overigens. Dat was voorbehouden aan dat uiterst linkse en kleine groepje studenten.
Een ander grap, die ik voor het eerst hoorde: "Er komt een troep getraumatiseerde, bevende schapen aan de Russische grens met Finland. Wat komen jullie doen, vraagt een verbouwereerde grenswacht. We willen naar Finland. Ja, maar waarom dan? Dan zegt de schapenleider: 'de KGB voert campagne tegen olifanten'. ’Olifanten, maar jullie zijn schapen’, zegt de grenswacht. ’Nou, vertel dat maar aan de KGB.’" De werkelijkheid achter die grap is natuurlijk niet zo leuk. Die KGB en NKVD-acties waren berucht omdat ze onvoorspelbaar, stupide en vooral meedogenloos waren.
Voorbehouden aan uiterst links. Voorbehouden? Welneen, uiterst rechts vond het ook aardig. En uitgerekend Ronald Reagan maakte er mooie sier mee. Hij verzamelde ze allemaal en maakte er in zijn speeches gebruik van. Behalve dat hij de Sovjet Unie het Evil Empire noemde en Gorbatsjov vroeg om de Berlijns muur te slechten zien we hem ook vrolijk grinniken over allerlei grappen. In Hammer and Tickle vermeldt Ben Lewis er velen. Het is leuker om Reagan te zien. Bijvoorbeeld deze over de lange duur van bestellingen en andere grappen.
Maar hoe de grappen te duiden? Daarover een volgende keer.
Marten Buschman (met dank aan Josse)
Een Vergeten Hoofdstuk
Amsterdam en Den Haag hebben een aanzuigende werking voor nieuwe ideeën, organisaties en instellingen. In beide steden zijn dan ook instellingen als de Eerste Nederlandse Montessori School gevestigd en beiden hebben hun naam gegeven aan schilder-, gym- en architectuurstijlen.
Des te vreemder dat een van de laatste ontwikkelingen in beide boeken ontbreken: het internet. Bij het einde van de twintigste eeuw is een belangrijk onderdeel gemist, mogelijk vanwege de te korte afstand tot het gebeurde of gewoon dat ze het rond 2000 niet als een wereldschokkend verschijnsel beschouwden. Evenals op het einde van de negentiende eeuw Domela Nieuwenhuis de notabelen met de feiten moest confronteren door zijn pamflettistische Een vergeten hoofdstuk. Zo is het nodig de voor de huidige schrijvers onbekende of in ieder geval voor hen niet-relevante ontwikkelingen van het internet te beschrijven.
Nederland, Amsterdam en ook Den Haag hebben een belangrijke rol gespeeld in het begin van internet. En de Amsterdam Internet Exchange (AMSIX) speelt nog steeds een bijzondere rol in de wereld. Opgericht in 1991 voor de hoge snelheidsverbinding van het CERN in Genève met Amsterdam (onderzoek in nucleaire natuurkunde) en ook met de nationale infrastructuur van de universiteiten in Nederland (Surfnet). Tot dan spoedde een Amsterdamse medewerker zich elk weekend naar Genève om gegevens uit te wisselen. Dat lijkt in het begin een leuk uitstapje, maar dat begon na een tijdje behoorlijk te vervelen. Op dat moment was Surfnet al een decennium verbonden met andere netwerken van Universiteiten in Europa en de VS, het ARPNET.
Mondiaal gezien is de AMSIX is de derde in grootte na New York en Londen en een bijzondere in de wereld van de Internet Exchangen: het is een vereniging van deelnemende ISP-en is en vooral een non-profit organisatie. Dat is uniek in de wereld van internet en dát heeft te maken met het karakter van Amsterdam. En de aanwezigheid van de AMSIX is vaak genoemd als een van de belangrijke factoren waarom een internet-organisatie graag in de Amsterdamse regio een bedrijf wil vestigen, naast het multiculturele en hoogopgeleide karakter van de bevolking. Hoewel er maar een tiental mensen werken, is het AMSIX dermate van belang dat in de PR van de stad eind jaren negentig geadverteerd werd met ‘hier komt internet boven’. Niets is minder waar, immers de AMSIX handelt het lokale verkeer zeer efficiënt af, waarbij lokaal Europa is. Vanwege de democratische en technische hoogwaardige structuur zijn vele bedrijven uit Europa aangesloten. Het komt voort uit die vrijbuiterige manier van werken, Amsterdammers eigen.
Een paar andere fenomenen, die genoemd moeten worden, waren de eerste Nederlandse publieke internetprovider XS4ALL en De Digitale Stad, een mondiale sensatie in 1994.
 - Plattegrond van de DDS
Beiden ontstonden in Amsterdam. Den Haag had de tweede provider Bart Internet Services. Op 1 mei 1993 begon XS4ALL. Even later, op 15 januari 1994 volgde De Digitale Stad Amsterdam (DDS). In deze virtuele stad kon je huizen bouwen, wonen en chatten. Deze DDS gebruikte servers waar je met je modem vanuit heel Nederland naar toe kon bellen (interlokaal tarief dus). Het mooie van DDS was dat het geheel gratis was en vanaf het begin een postbus ter beschikking stelde waarmee je kon e-mailen. Email in 1994? Ja, hoewel iedereen het uitsprak als emaije, glazuur. Deze Digitale Stad is gearchiveerd en een van de oprichters Marleen Stikker is nog steeds actief, nu in de stichting De Waag, een typisch Amsterdamse organisatie.
Nederland en beide besproken steden lagen voorop in Europa. Vele bezoekers uit geheel Europa kwamen dan ook af op deze supermoderne ontwikkelingen. Het was de aanzet tot een geheel nieuwe bedrijfstak, die vooral in Amsterdam neerstreek: software en webontwikkelaars.
Overigens is er wel een typerend verschil tussen Den Haag en Amsterdam. Kleine bedrijven in Amsterdam werden groot (Xs4all}, in Den Haag verhuisden ze al snel en werden ze op- en overgenomen (Bart door Vianetworks en later Claranet). Dat had te maken met de goede en minder goede huisvesting voor kleine bedrijven in de jaren negentig en de onderlinge samenwerking en onderlinge concurrentie, maar ook met de structuur van het bedrijfsleven, ZZP-ers versus grote telecombedrijven. Amsterdam versus Den Haag.
Een gemiste kans eigenlijk. Internet kent geen grenzen, geen verschillen. Je speelt er met een avatar in een tweede leven of science fiction in EVA, maar vooral met internet kwamen de gelovers in de toekomst weer terug. Zoals Pieter Lodewijk Tak dacht dat de twintigste eeuw de eeuw van de elektriciteit en het socialisme zou worden, zo denken de huidige internet goeroes dat door internet en bijvoorbeeld de wikipedia’s iedereen nu echt gelijk wordt. Een mooie parallel, die niet getrokken is.
Marten Buschman

Troelstra zweeft over de pagina’s van Hagens’ biografie
Open brief aan Piet Hagen
Beste Piet,
Laat ik beginnen met een citaat: ”De ene helft is gelogen en de andere helft is ook niet waar.” Dat schreef ik een twintig jaar geleden in het blad Socialisme en Democratie over de memoires van Troelstra. Ik nuanceerde dat meteen weer door het tweemaal dertig te laten zijn, maar ik vond het achteraf toch wat overdreven gesteld. Gelukkig heeft maar één persoon het stuk geciteerd en dat was voor het blad van de trotskistische beweging, maar ja dat leest niemand. Gelukkig citeer jij het niet. Zodat niet elke Nederlander het leest. Je had het wel kunnen doen, want het was een reactie op het stuk van Van der Zwan en dat komt wel in je literatuurlijst voor.
Na lezing van je biografie denk ik echter dat ik voor zowel de memoires en je boek de percentages ga opvoeren en verhogen. Laat ik die boude bewering eens toelichten en beginnen met kwalificaties over bronnen, wetenschappelijke discussie en je visie op Troelstra.
Eén van de vreemdste opmerkingen in de inleiding is dat je schrijft dat de lezer zelf kan oordelen naar aanleiding van de voorstelling van zaken van je als schrijver. En dan gaat het mij vooral om zaken die te maken hebben met beschrijving van politieke gebeurtenissen, zoals de oprichting van de SDAP, de affaire Vliegen, de beschrijving van de spoorwegstakingen, het Haagse congres waar Troelstra geen hoofdredacteur wordt, de mislukte coup tegen Troelstra na de grote verkiezingsoverwinning en de mislukte vredesconferentie of in het jargon 1894, 1899, 1903, 1905, 1913 en 1917. In alle gevallen vind ik dat je eigenlijk niet meer doet dan de Gedenkschriften overschrijven met hier en daar een extraatje. Er had meer ingezeten. Laat ik dan eens toelichten met drie voorbeelden.
a. In de herfst van 1899 vertrekt de feitelijke hoofdredacteur van De Sociaaldemokraat Vliegen ineens naar Frankrijk. Een aantal jaren later is hij weer terug. Daar is lang in de wetenschappelijke historische wereld over gezwegen, maar de afgelopen jaren is het duidelijk geworden dat Vliegen met de vrouw van partijgenoot Poutsma naar bed is geweest en dat deze wraak zocht door Vliegen via de partij te straffen. Dat gebeurde. En dat is vreemd. De meerderheid van het Partijbestuur stuurde hem weg: de geschokte ex-dominee Melchers, Helsdingen (die Vliegen waarschijnlijk als indringer in Rotterdam zag) en Troelstra vormden een kongsi om Vliegen weg te sturen. Je pleit Troelstra daarvan vrij. Dat mag natuurlijk. Albarda deed jaren na datum de suggestie dat Troelstra deze affaire gebruikt om Vliegen weg te sturen. Dat vind je niet geloofwaardig. Maar laat ik je dan eens meenemen in het archief van het Partijbestuur. Twee jaar eerder is er gedoe (over eigengereid handelen van Troelstra: hij schrijft altijd over ‘wij’!! en die wij was in ieder geval niet de redactie of het PB) over het hoofdredacteurschap van Troelstra. Na lange discussie is de afspraak dat Vliegen feitelijk hoofdredacteur zal zijn, maar dat Troelstra officieel, in naam dus, hoofdredacteur blijft. Bovendien was Vliegen partijvoorzitter op dat moment. Troelstra stond op het tweede plan. Twee jaar later grijpt Troelstra zijn kans. Als de escapade van Vliegen bekend is, bewerkt Troelstra de andere PB-ers en vooral Melchers (en dat weten we uit correspondentie met het PB, brief Melchers, waarop een ieder zijn opmerkingen heeft gezet, een soort e-mail dus) zodat Vliegen weggestuurd wordt. Nu kan je natuurlijk zeggen dat je deze onderdelen van het PB-archief niet gezien hebt. Dat kan. Maar deze affaire is ook neergeslagen in artikelen in het BNA (Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging). En die heb je links laten liggen: Henny Buiting heeft als eerste de bron ontdekt en één van die artikelen heb ik zelf geschreven en doe onafhankelijk van Albarda dezelfde suggestie. Ik weet het twee tegen één ….. Maar belangrijker in de wetenschap is dat in de uiteenzetting de vooruitgang moet blijken, maar jij gaat deze discussie uit de weg. Of erger nog, je hebt het niet gezien.
b. Een ander voorbeeld is 1905. Het algemene beeld is dat Troelstra door die vervelende marxisten uit de redactie is gewerkt. Of liever dat zij Troelstra niet in de redactie hebben gewild en de gematigde Tak hebben gekozen in plaats van hèm, Troelstra, dé grote revolutionair. De schuld wordt naar de linkse marxisten als Gorter geschoven. Ook hier staat in de bronnen iets anders. Het is een lang verhaal maar het komt er op neer dat in het Partijbestuur tweemaal (en ook nog een keer met de redactie van De Nieuwe Tijd erbij) een discussie is geweest over Troelstra’s hoofdredacteurschap. Aan de vooravond van het congres kwam het partijbestuur nogmaals bijeen om de zaak van hoofdredacteur te bespreken. Een voorstel dat het partijbestuur advies ten gunste van Troelstra zou geven werd verworpen bij staking der stemmen. Een bezwaar bleek Troelstra’s houding tegenover de vakbeweging te zijn, met name Henri Polak en Hendrik Spiekman maakten bezwaren. Op voorwaarde dat die houding veranderd zou worden ging de meerderheid alsnog akkoord om Troelstra voor te dragen. De voorzitter van het partijbestuur, Henri Polak, deed echter géén mededeling van dit feit op het congres! En toen werd Tak herkozen. Want het leek een vrije kwestie. Dat Troelstra kwaad werd was dus niet alleen omdat ie niet gekozen was, maar vooral omdat Polak hem niet voordroeg ondanks gemaakte afspraken. En dat Polak dat niet deed, was natuurlijk oud zeer. Als je jouw boek leest over deze affaire denk je ‘waarom is die Troelstra nou zo kwaad’, het is toch all in the game winnen of verliezen. Dat, zoals Troelstra, zie je tegenwoordig toch ook niet bij al die verkiezingen voor lijsttrekkers, bijvoorbeeld tussen Mark Rutte en Rita Verdonk? Maar jij doet alsof het heel normaal is, dat kwaad worden. En wat schrijft de biograaf van Polak: het is niet toevallig dat de ruzie uitbreekt nadat Polak aftrad als voorzitter. Inderdaad.
Kortom: een ander verhaal dan in de gedenkschriften, in de literatuur en in dit boek staat. Voor het oordeel van de lezer is het natuurlijk niet handig dat deze nuancering ontbreekt.
c. Spoorwegstakingen: daar kan ik kort over zijn. Rüter schrijft dat ‘wat nu?’ wel een moedig stuk is maar dat het tegelijkertijd onhandig is of in de harde woorden van Rüter: ‘Hoezeer de waarschuwing zelf te waarderen valt, de wijze waarop en de plaats waar Troelstra haar gaf, zijn dat niet.” Het eerste noem je wel, maar die twee andere kwalificaties in afgezwakte vorm: Troelstra verzuimde overleg met zijn medebestuurders, schrijf je, maar het ging natuurlijk niet alleen om SDAP-ers maar om het Comité van Verweer. Zo breng je de wetenschap niet echt verder.
Dit zijn drie voorbeelden waaruit je oppervlakkige beschrijving blijkt. Beschrijving, ja, maar het gaat natuurlijk om de analyse van Troelstra’s werken in de SDAP. Bij je beschrijving heb ik steeds het gevoel dat Troelstra over de regels en bladzijden heen zweeft maar dat je hem als lezer nooit te pakken krijgt. En dat komt onder andere doordat je nooit de details geeft en nooit je afvraagt waarom? Niet alleen in deze drie voorbeelden raak ik nooit echt geinvolveerd vanwege dat afstandelijke. Dat is ook precies waarom ik de Gedenkschriften een mislukking vind. Als een soort Caesar schrijft Troelstra over een ander persoon, lijkt wel.
Keer op keer blijkt naar mijn idee dat Troelstra al zijn energie inzet om zelf weer op het eerste plan te komen, en telkens weer in de dagelijkse gang van zaken – ook door lange herstelperiodes – het onderspit delft. Marxisten als Gorter gingen frontaal en openlijk de strijd aan en verloren en mensen als Vliegen deden het slimmer, ondanks het feit dat Vliegen toch wat tegen Troelstra gehad moet hebben.
En dan het nawoord. Dan val je weer terug op de Gedenkschriften. Je schrijft dan op pagina 799 dat J. Saks een algemene kritiek heeft op de gedenkschriften: bedoeld als zelfverheerlijking en en zelfverdediging en daarom per definitie onbetrouwbaar. Je geeft hem daarin eigenlijk wel een beetje gelijk (er zit ‘een kern van waarheid in’) maar je vermeldt de vele gedetailleerde kritiek van Saks niet. En dan geheel onlogisch zeg je dat die kritiek geen recht doet ‘aan het karakter van dit egodocument als samenstel van controleerbare feiten en persoonlijke visie’. Maar dat was nu juist de kritiek van Saks: dat je door die 'persoonlijke visie' het zicht op de feiten ontnomen wordt.
Ik denk dat je boek te veel leunt op de Gedenkschriften en te onkritisch is. Jammer vind ik dat je geen afsluitende analyse geeft van de persoon Troelstra. Personen gaan leven in de details, zeker als die een repeterende breuk zijn. Laat ik een voorschot nemen: Troelstra's gekrenkte trots levert veel energie op en als het doel behaald is stort hij in: manisch depressief? Of het lijkt wel of hij geen tweede vaderfiguur duldt of liever of hij alle conflicten met de partijgenoten als een tweede vaderconflict beschouwt. Dat zou ook de onuitstaanbare uiteenzettingen van, met en tegen Gorter verklaren, want die was wel altijd op zoek naar een vaderfiguur. Dat verklaart, denk ik, misschien wel de grote strijd tussen deze beide helden. En wellicht ook dat Troelstra vanwege het conflict met zijn vader socialist is geworden. Want je bent eigenlijk niet veel meer te weten gekomen over Troelstra’s besluit om socialist te worden dan wat er in de Gedenkschriften staat.
In stijl kan ik afsluiten met te zeggen dat die tweemaal dertig procent inderdaad verhoogd moeten worden naar tweemaal veertig procent, ook voor dit boek.
Maar ik wil afsluiten met een citaat van Henri van Kol over Troelstra en over 1918. Van Kol schrijft aan zijn bankier: … “die dreigementen van Mr. Troelstra [zijn] niet te tragisch op te nemen, het was een ‘misverstand’, een revolutie ‘bij improvisatie’. M.i. is hij, na de aanval van een paar jaar geleden niet meer ‘normaal’ te noemen. Ook te Stockholm deed hij vaak malle – en ditmaal – onverantwoordelijke dingen!!”
Ik ben het eigenlijk wel met Van Kol eens.
Marten Buschman
 - I. Israels, Café Chantant in de Nes
De mythe van de Amsterdamse biernomaden!
De hoofdstedelijke mores en mythes ademen één ding uit: hier in Amsterdam begint het! Zo reageerde een Amsterdamse vriendin verbaasd toen ik vertelde dat in Haarlem en Den Haag geen vrijmarkt bestond – het was begin jaren zeventig – met: ‘maar dat is toch overal in Nederland’. De realiteit is dat ze postuum gelijk heeft gekregen. Begonnen begin jaren vijftig is het na de troonsbestijging van Beatrix een landelijk festijn geworden met - nog steeds – Amsterdam als centrum.
Terug naar de hoofd- en hofstad, in 1890 ditmaal. Nederland kruipt uit het economische dal en in het laatste decennium breekt de zon door. Het eerst en het best in Amsterdam: ‘in het voetspoor van de radicalen’ is de veelzeggende titel van het laatste hoofdstuk over de negentiende eeuw van het Amsterdamse boek. Het verhaal – dat in grote lijnen bekend is – wordt met veel verve verteld. Was voor 1890 het Centraal Station gebouwd, het Noordzeekanaal aangelegd, nieuwe bedrijven gesticht en culturele saaiheid verdrongen door de jongelui van De Nieuwe Gids, na 1890 komen met veel geraas de biernomaden als Wim Treub en Carel Gerritsen de gemeenteraad binnen. Biernomaden: De Rooij heeft deze term geïntroduceerd voor de groep intellectuelen, politici in spe en literaire jongeren als Kloos, die in de woorden van één van hen 'Nederland wilden opstoten in de vaart der volkeren'. Ze trokken al pratend over het nieuwe Amsterdam en Nederland door de vele nieuwe bierlokalen in het centrum van de hoofdstad.
De politieke groep rond Treub zorgde er voor dat Amsterdam in snelle tijd politiek moderniseert: sociale verhoudingen binnen het gemeentepersoneel, allerlei vormen van toezicht en inspectie en het naasten van voorzieningen als gas, watervoorziening en tram, die daardoor goedkoper werden en meer kwaliteit verkregen. Maar vooral de concessiestrijd over de telefoon sprak en spreekt nog steeds tot de verbeelding: ondernemers die de net boven grachten aangelegde telefoonlijnen doorsnijden met messen aan de top van de mast. Het is in Amsterdam het begin van de linkse politiek: radicalen, sociaal-democraten, communisten, pacifisten eigenlijk ook de anarchistische provo’s en kabouters zijn schatplichtig aan de eersten, de biernomaden.
In de Haagse geschiedenis en geschiedschrijving niets van al die fraaie biernomaden, radicalen en indianenverhalen. Maar wel zijn al de moderniseringen, zoals boven genoemd, doorgevoerd vrijwel gelijktijdig met de Amsterdamse, zoals ik merkte bij de voorbereidingen van een voordracht in het kader van de Millenniumdoelstellingen in Den Haag en Juigalpa. Maar in tegenstelling tot het Amsterdamse verhaal is er geen politiek kabaal. En worden de verbeteringen voorgesteld als iets heel natuurlijks: in 1890 was er al de moderne Dienst Gemeentewerken met de aanleg van de riolering, onderwijs werd uitgebreid: de Jordanees en onderwijsvernieuwer Jan Ligthart werkte er vanaf 1889. Net alsof die moderniseringen geen politiek issue zijn. Ook invloed van die biernomaden is niet te vinden.
Een vreemde tegenstelling tussen de hoofd- en hofstad. Amsterdam als het voorlijke broertje van Den Haag. Verbreden we onze blik naar de geschiedenis van andere steden in dezelfde periode dan blijkt de tegenstelling anders te liggen. In steden als Rotterdam, Schiedam, Utrecht en Den Bosch zijn de biernomaden niet te vinden en zien we dezelfde moderniseringen op dezelfde wijze ingevoerd als in Den Haag: als een natuurverschijnsel. Ook verre inspiratie uit Amsterdam is nergens aanwezig. Verzakelijking en democratisering is de term voor deze periode voor de geschiedschrijvers van vermelde steden. En dat is ook de conclusie van de Amsterdamse schrijvers: deze politiek had geen wortel geschoten in andere steden of in het land als geheel, maar toch besluiten ze een beetje tegendraads: ’Amsterdam beschouwde zichzelf als de belangrijkste stad van het land en dat niet zonder reden.’
Neen, de biernomaden zijn een Amsterdamse mythe. In het gehele land streek het kapitaal neer. In elke stad op een andere manier, dus de biernomaden hebben wel een Amsterdamse rol gespeeld en niet meer dan dat! En waar zouden ze ook prat op gaan als pas in 1989 de binnenstad in zijn geheel aangesloten is op het riool. Tot dan had het grootste deel van de grachtengordel gewoon op de grachten geloosd.
Marten Buschman

Revolutie in Holland, deel twee: negentienhonderd en drie
Het beeld van de spoorwegstakingen in 1903 heeft lange tijd over Nederland gezweefd. In het jaar 2003, honderd jaar na dato, niet meer. Toch heeft ‘1903’ de richting bepaald aan het ontstaan van de moderne vakbeweging en de moderne overlegstructuur. De gebeurtenissen zelf (voor mijn beschrijving zie hier en voor een analyse hier) zijn bekend.
Den Haag en Amsterdam vormen de scharnierenpunten in de gebeurtenissen én tegelijk een tegenstelling: in Amsterdam begon in januari de solidariteitsstaking, die een overwinning was voor de stakers. In Den Haag eindigde de politieke staking in april met een overwinning van de regering en de directeuren. De spontane solidariteitsstaking verraste iedereen, maar het werkte en het ging snel. Op 29 januari staakten de spoorwegarbeiders omdat zij gedwongen werden werk uit te voeren van stakers. Twee dagen later, vlak voordat het gehele land in staking zou gaan, gaf de directie onder druk van de overheid toe.
Onverklaarbaar is het dat de schrijvers uit Den Haag over de spoorwegstakingen helemaal niets te melden hebben. Des te meer de Amsterdamse geschiedschrijvers. Zij geven een fraai overzicht met de context (zowel van de structuur van de Amsterdamse nijverheid als van de Amsterdamse sociale beweging), maar met slechts één afbeelding van het Centraal Station op 9 april. Door deze plaatsing in beide contexten krijgen we inzicht in de beweegredenen van de stakers: de lastige stad Amsterdam in oproer. Grote stakingen en/of oproeren vormen een spoor door de negentiende en twintigste eeuw. Het lijkt daarom allemaal typisch Amsterdams. Wellicht een verdediging van het ontbreken van ‘1903’ in het Haage boek.
De aprilstaking was tot mislukken gedoemd. Het aanvankelijke enthousiasme van de stakers ebde weg. Bij hen klikte het onderling niet, de organisatie liet te wensen over en er was te weinig kennis en kunde om zo’n omvangrijke klus te klaren, of zoals fraai verwoord: “Uit de veugdevuren der overwinning steeg dus ook meteen de walm per partijzucht op.” (p. 44). Bij hun tegenstanders, de rijksoverheid, in samenwerking met het staatspostbedrijf en Verwey & Lugard, importeur van auto’s. Zij wisten alles, hun organisatie klopte wel. De kopstukken kenden elkaar van het Haagse circuit of zoals we nu zouden het old boys netwerk. Het doelwit (politiek Den Haag, de spoorweg en de postbezorging) van de stakers was afdoende beschermd: een bastion van regering, leger en postwezen. Bovendien had het leger een cordon om Den Haag gelegd.
 - Militairen bij kruising van spoorlijnen van Den Haag naar Leiden en Utrecht
De afloop van het verhaal en verschillende consequenties (o.a. dat het beter is om te overleggen) staan uiteraard in het Amsterdam boek. De vakbeweging in zijn dominante moderne vorm van het NVV begreep het snel, sterker nog het NVV is het gevolg van de 1903. De meerderheid van het bedrijfsleven begreep het ook snel. De overheid deed er langer over. Er loopt geen directe lijn van de ontwikkelingen van 1903 naar die van het huidige poldermodel, maar 1903 is wel een schakel en zeker niet de onbelangrijkste.
Marten Buschman
Revolutie in Holland!
In de twintigste eeuw zijn er twee momenten geweest die aan een Hollandse Revolutie deden denken: 1918 en 1903. De spoorwegstakingen en de vergissing van Troelstra. Twee gebeurtenissen, die beide steden hebben beroerd. De eerste spoorwegstaking begon en eindigde in Amsterdam, terwijl de rest van het land meedeed. De revolutionaire beweging na de Eerste Wereldoorlog, vooral in de Tweede Kamer door Troelstra, werd in de kiem gesmoord door en in Den Haag, terwijl in Rotterdam en Amsterdam opstandige demonstraties plaats vonden.
 - Briefkaart naar het schilderij van J. Hoynck van Papendrecht, ten bate van het Nationaal Vredesfonds, z.j.
Het zijn beide prachtige anekdotes, die een boek verlevendigen en waaraan je analyses kunt vastknopen: in Amsterdam passen beide evenementen in de strijd om de hoofdstad, in Den Haag om de bestuurlijke kracht van de overheid en bewoners.
1918 Na de wapenstilstand (WO I) op 11 november en na de val en vlucht van de Duitse keizer en na de eerste revolutionaire acties en tegenacties in Duitsland, waren Nederlanders er niet gerust op dat de revolutie niet zou overslaan naar Nederland. In het najaar van 1918 was er in het gehele land al veel dreiging: honger, opstanden van militairen en betogingen. Het begon in Rotterdam, waar een bewogen Troelstra op een grote bijeenkomst van zijn partij zei, neen declameerde dat de arbeidende klasse klaarstond om de macht over te nemen. En hij herhaalde dat in de Tweede Kamer in Den Haag met de merkwaardige zinnen: ‘Uw vrienden zijn wij niet, wij zijn uw tegenstanders, wij zijn, als gij wilt, uw meest verbitterde vijanden.’ Niet gesteund door zijn eigen partijbonzen stortte hij in en moest later toegeven dat hij zich vergist had. Een drama, maar een revolutie was het niet, eerder een poging van hem om de echte revolutionairen de wind uit de zeilen te halen.
Want die revolutionairen deden wel wat en wel twee dagen later op 13 november hielden zij een grote manifestatie waar de oude Domela Nieuwenhuis, in een rolstoel, op een ovatie onthaald werd. Na die manifestatie trokken ze op naar de kazerne in de Sarphatistraat om een kameraad te bevrijden en tegelijkertijd soldatenraden op te richten. Het werd geen van beiden: ze werden weggejaagd door een kort salvo van de huzaren: vier doden en een aantal gewonden. David Wijnkoop en Henriëtte Roland Holst weten nog de boel bij elkaar te houden en vooral Henriëtte houdt een gloedvol betoog en gevoelt zich als de strijdster in revolutionair Nederland, zoals een jaar te voren in Rusland de arbeiders beschoten werden. De Hollandse werkelijkheid was rauwer, de stoet trekt naar het Beursplein, maar de volgende dag komen er slechts een handjevol mensen opdagen, zoals ook tijdens de Nieuwmarktrellen in maart 1975 de ene avond tienduizenden de Amsterdamse politiek bedreigden, de volgende dag niemand meer de moeite nam zijn huis uit te gaan.
Weg revolutie en Troelstra ligt ingestort ziek in bed. De Maastrichtse kameraden van nota bene de eigen SDAP wachtten tevergeefs op een teken van hun leider de macht te grijpen. Wie wel de macht grepen of eigenlijk hielden waren de vele ordebonden, de soldaten, de regering de vakbonden en de vele gewone burgers. En zowel in Den Haag en Amsterdam organiseerden de overwinnaars op de Hollandse Revolutie grootse manifestaties. Eerst op het Malieveld, een week later in Amsterdam. Met op het einde van de middag een door de soldaten en matrozen getrokken koets met Wilhelmina er in van het Stadhuis op de Dam naar het Centraal Station. ‘Amsterdam werd niet de hoofdstad van de Revolutie’, zoals de schrijvers constateren, ik denk een beetje met spijt. Het is de opmaat van de stadsgeschiedenis: van de ‘Amsterdamsche Sowjet’ naar veranderingen in de sociaal-culturele economische structuur. Alleen jammer dat er geen enkele foto gevonden is van de evenementen in Amsterdam.
Van de manifestatie in Den Haag bestaan er wel foto’s en een briefkaart, hier voor het eerst afgedrukt. In het Haagse boek komt 1918 drie keer voor: op pagina 73 hield Troelstra zijn ‘befaamde rede’, op pagina 116 staat zijn ‘weinig profetische woorden werkten averechts’ en op bladzijde 136 was het ‘grootspraak’. Drie tegenstrijdige korte vermeldingen van drie verschillende schrijvers en da’s alles. De gebeurtenissen passen dan ook niet in het Haagse verhaal, zoals dat in het boek verteld wordt. Maar het had natuurlijk wel in het verhaal gepast van Den Haag als politiek machtscentrum.
Over 1903 een volgende keer.

A Tale of Two Cities: Hof- en hoofdstad!
Twintig jaar opgegroeid in Haarlem, twintig jaar studie en werk in Amsterdam en ook twintig jaar een beetje carrière in de gemeente Den Haag. Over de beide in Nederland belangrijke steden zijn bijna gelijktijdig twee historische series gepubliceerd. Steden, die zich sterk onderscheiden in structuur, organisatie, uitstraling en geschiedenis. En ook de geschiedschrijving.
Als geboren Haarlemmer kijk ik anders tegen de beide steden en hun bewoners aan dan de Hagenaars en Amsterdammers zelf. En ook anders tegen de geschiedschrijving van de hoofd- en hofstad. Want er zijn grote verschillen in aanpak, organisatie en uitwerking van de beide stedelijke geschiedenissen in de historiografie
Dat beide steden verschillen is duidelijk: Amsterdam het centrum van de wereld, Den Haag het politieke centrum van de Lage Landen. Zo was het in de gouden eeuw. In de laatste twee eeuwen is Amsterdam wereldstad af en Den Haag geen hoofdstad, maar wel hofstad geworden.
Voor buitenlanders is dat wat moeilijk te begrijpen. Zo was ik twee jaar geleden in Hämeenlinna in Zuid-Finland voor een presentatie van de Second Life site van de gemeente Den Haag. Voor een zaal met zestig toehoorders vertelde ik over het internationale karakter van Den Haag en de rol van Second Life daarin. Maar eerst vroeg ik aan hen: wie van jullie denkt dat Den Haag de hoofdstad van Nederland is? Iets minder dan de helft stak zijn vinger op. En na een schets van de hofstad met de Ministeries, Tweede Kamer en internationale organsiaties vroeg ik het weer en nu stak meer dan de helft van de aanwezigen hun hand op, inclusief Dave Carter, een collega uit Manchester, die al meer dan vijftien jaar met Den Haag samenwerkte. Mijn antwoord verbijsterde velen. En verbijsterend het was, voor mij ook om mee te maken, dat het voor Europeanen blijkbaar niet zo helder is welke stad de hoofdstad is. Wellicht verschillen Amsterdam en Den Haag niet zo veel al wij wel denken.
Is de geschiedschrijving van beide steden zo verschillend? In deze en volgende blogs een vergelijking van beide boeken. Maar eerst wat oppervlakkige zaken. Ter vergelijking staan enerzijds het derde deel van de Haagse geschiedenis: Den Haag geschiedenis van de stad. Negentiende en twintigste eeuw onder redactie van Thimo de Nijs en John Sillevis en aan de andere kant deel het derde en vierde deel van de Geschiedenis van Amsterdam. Hoofdstad in opbouw 1813 – 1900 en Tweestrijd om de Hoofdstad 1900-2000 onder redactie van Piet de Rooy en Remieg Aerts (III) en Piet de Rooy (IV) respectievelijk. Wat zeer opvalt is dat het Haagse deel vierhonderd bladzijden heeft en dat de beide Amsterdamse delen bijna dertienhonderd pagina’s beslaan.
Wie zijn de mensen en organisatie achter de boeken. Ik vergelijk deel IV van het Amsterdamse met deel III van het Haagse.
De opdrachtgever van het Amsterdamse boek is de Jan Wagenaar Stichting, vernoemd naar de beroemde 18e-eeuwse geschiedschrijver van de stad. Een stichting die pas onlangs is opgericht (1997) en tot doel heeft ‘bevordering van onderzoek naar de geschiedenis van Amsterdam’. Naast de vijfdelige Geschiedenis van Amsterdam organiseert de Jan Wagenaar Stichting symposia en educatieve activiteiten. Hoewel deze groep mensen geen website heeft, is zij wel in staat geweest het gehele Amsterdamse sociaal-culturele-economisch-historische wezen achter het project te krijgen. Bij de financiering – iets meer gevers dan Den Haag – valt de BankGiroLoterij op. Omdat in Amsterdam de WisselBank als eerste mondiale begonnen is? Mooi is op het schutblad de dank aan al die Amsterdamse en nationale instellingen die hun gebruikelijke reproductievergoeiding geheel of gedeeltelijk achterwege hebben gelaten.
Of dat bij het Haagse boek ook zo is, valt niet te achterhalen. Er zijn in ieder geval minder schenkers van geld. En geen bankgiroloterij of wat te verwachten was de staatsloterij. De opdrachtgevers van het Haagse boek zijn de ’s Gravenhaagse BoekhandelaarsVereniging en het Haagse Gemeentearchief. Het initiatief kwam in 1997 van de boekhandelsverenigings-voorzitter Frank van Maarseveen om in het kader van het te vieren 150-jarig bestaan in 2004 een geschiedenis van Den Haag te doen uitgeven. De doelstelling van de vereniging is het behartigen van het belang van de boekhandel en niet de geschiedschrijving! Met het Haags Gemeentearchief werkte zij samen in de stichting Geschiedschrijving van Den Haag, speciaal voor dit idee opgericht.
Volgende blogs over onderwerpen waarin de geschiedenis van de steden elkaar raken of divergeren.
Marten Buschman
 - Cajo in 1978. Foto P. Rademakers
Cajo kletst niet!
Op 22 november presenteerde Christian Frings uitgever te Keulen in het IISG een boek met een keuze uit de werken van de raden-communist Cajo Brendel. Brendel die in 2007 op hoge leeftijd overleed, was een graag geziene gast in Keulen.
Het was een bijeenkomst met veel verhalen, analyses en vooral heel rijkgeschakeerde meningen. Precies zoals het toeging bij de radencommunisten, denk ik. Want er waren niet al te veel mensen, en allen verschilden van mening en iedereen droeg bij aan het debat. Het debat, want zo noemden Christian Frings en zijn compaan Alix het. Vooral Alix zei in haar inleiding dat de ideeën van Cajo nog steeds actueel zijn. Na de bijeenkomst gaf ze me een brochure over arbeiderszelfbestuur in Patagonië. Een treffend voorbeeld van haar stelling.
Het was wel een mooie bijeenkomst, een waar eerbeteoon aan Cajo en zijn geschriften. Ik had bijna geschreven een eerbetoon aan zijn ideeën, maar dat was het nou net weer niet! Hardgrondig oneens waren de aanwezigen het ook niet.
 - Cajo te Leningrad. Foto IISG.
De middag begon met een video van Cajo al redenerend in voor ons vloeiend Duits met een licht Nederlands accent over de ontwikkelingen van de klassenstrijd. De opnames waren lang, maar gelukkig speelde Christian niet alles af. Ik was al na twee minuten afgehaakt en kon de analyses van Cajo niet meer volgen.
Zo was het ook tien jaar geleden in een kleine zaal in Amsterdam waar een boek van Cajo zelf over het radencommunisme gepresenteerd werd. Dennis Bos interviewde Cajo en wij werden overgoten met prachtige welluidende analyses van het kapitalistische systeem en omdat het Nederlands was haakte ik pas na vier minuten af. Dennis probeerde hem te verleiden tot wat meer persooniljik gerichte verhalen, maar Cajo liet zich niet van de wijs brengen. Die anecdotes kwamen achteraf en die zijn het begin geweest van de zes prachtige verhalen, die in dit tijdschrift verschenen zijn.
Tijdens de gesprekken kwamen er mooie details te voorschijn over Cajo: dat-ie eigenlijk maar één gerecht had: pasta met saus en rode wijn. En dat hij geen bibliofiel was, want in elk boek schreef hij met grote letters zijn commentaren: niet over het hoofd te zien. Marja van der Klok, die de laatste jaren zijn archief heeft geordend, vertelde een prachtig verhaal over Cajo.
Maar ook twee principiele discussies over het radencommunisme an sich. De radencommunisten - en Cajo was geen uitzondering - hadden de naam de kloosterbroeders van het marxisme te zijn, dat wil zeggen zij vonden dat de arbeiders zelf de taak hadden de revolutie door te voeren. Cajo en de zijnen praten daar over. En dat ging ver: een Catalaanse kameraad van Cajo kwam speciaal voor een weekend over om de analyses aan te scherpen: op de brommer van uit Barcelona en twee dagen later weer terug. Vanuit hun theoretische kennis hebben ze - en vooral Cajo - prachtige analyses gemaakt van allerlei gebeurtenissen als Kronstadt, Catalaanse Revolutie, de Chinese Culturele Revolutie en Berlijn 1953. Analyses die nog steeds de latere kritiek kunnen doorstaan. Een zo'n analyse heeft de beide neefjes van Cajo van het Maoisme genezen. Voorwaar een prestatie in de jaren zeventig.
Toch ging Cajo op pad en in discussie met de arbeiders over de vakbonden, over hun strategie en taktiek. Een fraai voorbeeld zijn de gesprekken met de arbeiders uit Wales. Ik mocht een gedeelte voorlezen tijdens het betoog van Alix en het was zo mooi geschreven, maar tegelijkertijd voelde je de wereld van verschil tussen Cajo en de mijnwerkers. Hij vertelt het niet in dit verhaal, maar wel in de andere: de meeste mensen raakten geïrriteerd, soms moest hij rennen voor zijn leven. En een ander voorbeeld, op zijn analyse van de staking in Groningen kreeg ik snel daarna een ongezouten brief van Cees Schelling, één van de beschreven personen: 'maar de feitelijke onjuistheden (...) zijn zo verbijsterend waardoor ik niet meer weet wat ik met de rest aan moet.'
Maar daar gaat hier om: Cajo greep wel in en probeerde - vaak tevergeefs - zijn mede-wereldburgers te overtuigen. Toch een beetje vreemde tegenspraak.
Een ander punt, dat ik ter sprake bracht, is volgens mij een blinde vlek. Cajo keek vooral naar de ontwikkelingen in de sociale bewegingen en oordeelde dat de eigen rol van mensen daar te gering was. Ook een organisatie als het OVB, dat nota bene de slogan van het arbeiderszelfbestuur in het vaandel droeg, was volgens Cajo niet anders dan een gewone vakbond.
Wat hij niet zag, was de tendens van veel jonge mensen om zelfstandig te zijn en te blijven, de ZZP-ers. Was het vroeger vooral de strategie van jonge arbeidsmarktoetreders zo snel mogelijk een baan te krijgen en te houden in een organisatie desnoods via een tijdelijk zelfstandig bestaan, nu is vooral de strategie zelfstandig te worden desnoods via een omweg in een arbeidsorganisatie.
Het is jammer dat Cajo deze tendens niet gezien heeft, want hij zou er fraai over geschreven hebben, want het is zoals Piet Rademakers zei: Cajo kletst niet!
Marten Buschman
22 december 2008
|